Meneer A.B. werd geboren op 6 juli 1959 in Brussel en overleed in het UZ Gasthuisberg te Leuven op 12 november 2025. De begraving vond plaats op woensdag 26 november 2025 op de Leuvense stadsbegraafplaats.
Meneer B. was een kunstenaar in ’t diepst van zijn gedachten. In zijn studiootje in Heverlee hingen kleurrijke tekeningen die hij zelf had gemaakt rond een grote poster van The Rolling Stones. Meneer B. had daar zeker talent voor, dat hij een tijdje aanscherpte met lessen aan de academie. Op een tekening met een bloedrood uitspansel is een mijntoren te zien, op een andere het operagebouw van Sidney. Sommige landschappen zijn duidelijk op Van Gogh geïnspireerd. Don Quichote, met in zijn spoor Sancho Panza, komt op meerdere tekeningen voor, net als vier uitgemergelde en spookachtige mannen te paard. Bij een ervan, met op de achtergrond – haast visionair – brandende woontorens zoals ik ze vandaag op de nieuwsberichten uit Hongkong zie, schreef hij: ‘de 4 ruiters van de Apocalyps na een thermonucleaire oorlog’.
Het zijn onderwerpen die meneer B. op het lijf geschreven waren, besef ik later, wanneer ik de hulpverleners spreek die hem gekend hebben. Meneer B. vocht tegen windmolens, vaak de obstakels van de maatschappij, vaker nog zijn eigen demonen. Een pessimistische kijk op de toekomst. Daarvoor zocht hij al jaren soelaas in drank.
Net voor er nog maar eens een traject zou opgestart worden dat meneer B. op het goede pad moest zetten, overleed hij schielijk. Op een ochtend werd hij op straat gevonden door een fietser. Meneer B. werd door een ambulance naar Gasthuisberg gebracht waar hij later die dag overleed aan een hersenbloeding. Het is niet duidelijk of die de oorzaak of het gevolg was van zijn val.
Nog voor de Onderneming mij op de hoogte had gebracht, liep er bij De Eenzame Uitvaart al een telefoontje binnen van een jongedame die voor het CAW werkt. Kato, die geregeld bij meneer B. aan huis kwam, vertelt dat ze met enkele collega’s graag bij de begrafenis aanwezig wil zijn. Hetzelfde hoor ik ook bij Silke van het mobiele buurtwerk Leuven. Het is wel duidelijk: het netwerk van meneer B. bestond louter uit hulpverleners. Er zouden nog een zus en een tante in leven zijn, maar die konden niet gecontacteerd worden.
Over het leven van meneer B. kom ik het meest te weten op Sint-Kamillus, het psychiatrisch ziekenhuis in Bierbeek, gespecialiseerd in verslavingsproblematiek. Meneer B. werd er meermaals opgenomen, afgelopen zomer nog enkele maanden. Hij had zich toen zelf ontslagen, waarna het misging.
Meneer B. groeide op in Brussel, als middelste van drie kinderen. Zijn moedertaal was Frans, maar hij was perfect tweetalig. Op school volgde hij een economische richting en na zijn legerdienst behaalde hij via avondonderwijs een diploma elektronica. Of en hoe hij dat verzilverd heeft, weten we niet. Meneer B. vond niet makkelijk zijn draai, privé noch professioneel. Hij wisselde geregeld van werk en verhuisde meermaals, ook naar het buitenland. Hij had een rusteloze maar scherpe geest – naar verluidt was hij een prima schaker. Tegendraads kon hij ook zijn, dat had wel enige charme.
Op een bepaald moment moet meneer B. dan toch geworteld hebben in Leuven. In 2018 zette hij fier een foto van zijn studiootje op facebook. Een andere pleisterplaats was het Hoeckhuys in Leuven, een ontmoetingscentrum voor mensen met een psychische kwetsbaarheid. Meneer B. reed er met zijn scooter naartoe en trof er lotgenoten. Er waren periodes dat het best goed met hem ging, hij volgde een cursus aan de beeldacademie SLAC.
Maar zijn verslaving bleef geregeld de kop opsteken en bezorgde meneer B. allerlei problemen. Hij kreeg begin dit jaar een rijverbod, waardoor zijn scooter aan de kant moest blijven. In het Hoeckhuys kwam hij daardoor niet meer. Hij raakte meer en meer geïsoleerd en de manier waarop hij daarmee omging viel niet in goede aarde bij zijn huisbaas. Toen kwam Kato in beeld, die bij het CAW voor het team ter preventie van huisuitzetting werkt. Zij probeerde meneer B. bij te staan met advies en praktische hulp. Hij kon op zijn studiootje blijven wonen.
In de zomermaanden liet meneer B. zich opnemen in Sint-Kamillus en ging het merkelijk beter met hem. Zo zag hij dat zelf ook. Op een dag vond hij het welletjes en vertrok. Daardoor viel alle begeleiding ook weg en al snel herviel hij. Kato en Silke moesten hem opnieuw uit de nood helpen. Soms aanvaardde hij de ambulante hulp, soms was hij daar ook te eigenzinnig voor. Er waren incidenten, zoals dat heet. Toch keek hij wekelijks uit naar hun komst. Na het verlies van zijn scooter waren dat zowat de enige contacten die hij nog had. En het verlies van zijn mobiliteit was onomkeerbaar, want om te slagen voor alle rijbekwaamheidstests die hij opnieuw zou moeten afleggen, schoten zijn cognitieve vermogens ondertussen tekort – men vermoedt dat hij aan Korsakov begon te lijden. Zijn geest en voeten waren wankel geworden. Silke moest hem naar het bankkantoor helpen wanneer hij weer eens zijn bankkaart verloren had en geen eten kon kopen. Enkele weken voor zijn dood was hij met spijsverteringsklachten naar de apotheker gegaan. Van het laxeermiddel dat hij meekreeg nam hij veel te veel in, met alle gevolgen van dien. Hij werd toen even via de spoedafdeling gehospitaliseerd, maar kon daar niet blijven.
Zijn studiootje had ondertussen een flinke poets-en-opruimbeurt nodig. En meneer B. moest weer degelijk psychologisch begeleid worden – daar had hij mee ingestemd. Dat traject zou van start gaan na de feestdag van 11 november. Wanneer Silke die dag op haar werk aankomt, krijgt ze het droevige nieuws van zijn fatale val.
Even is er, ook bij de Onderneming, twijfel of het nu echt om een eenzame uitvaart gaat. Ondanks alles was meneer B. bij zijn helpende engelen zo graag gezien dat ze van alle kanten naar zijn begrafenis willen komen. Maar omdat het allemaal professionals zijn en er niemand aanwezig zal zijn die hem los van de hulpverlening heeft gekend, is de knoop snel doorgehakt: ik zal namens De Eenzame Uitvaart de begrafenis bijwonen.
Na een enkele bui klaart het die woensdagochtend flink op. De eerste winterkou is alweer voorbij. Op het kerkhof wachten vier vrouwen me op. Kato en Silke hebben beiden een collega meegenomen. En voor ik naar de begraafplaats vertrok, kreeg ik nog een mail van Sint-Kamillus. Ze hebben daar een afscheidstekst geschreven en willen graag dat ik die voorlees.
We zijn allemaal ruim op tijd op de begraafplaats, er is tijd voor een praatje. De vrouwen hebben twee plantjes bij voor op het gaf. Ze hopen dat ik op Sint-Kamillus nog dingen vernomen heb over meneer B. die zij nog niet wisten. Op zijn geboorteplaats en studies na blijkt dat niet zo te zijn. Van de zus of de tante geen spoor.
Klokslag elf uur lopen we achter de lijkwagen naar het perceel waar meneer B. begraven wordt. De kist wordt op een katafalk getild en de man van de Onderneming vraagt ons dichterbij te komen. Hij spreekt een welkomstwoord uit en vraagt dan of ik mijn teksten wil lezen.
Ik begin met het saluut vanuit Sint-Kamillus:
‘Vandaag nemen we afscheid van een man die een bijzonder en bewogen leven heeft geleid. Zijn pad was niet altijd eenvoudig, maar hij ging het met een vrije geest en een open blik tegemoet. In zijn jeugd trok hij veel rond, zag grote stukken van de wereld en verzamelde indrukken en ervaringen die hem diep hebben gevormd.
‘Hij was een denker én een maker. Hij kon uitzonderlijk goed schaken — scherp, strategisch en met een opmerkelijk inzicht. Daarnaast liet hij zijn creativiteit spreken in zijn kunst. Zijn schilderijen waren een weerspiegeling van zijn innerlijke wereld: kleurrijk, soms zoekend, soms rustgevend, maar altijd authentiek.
‘Met zijn bijzondere visie op de maatschappij wist hij mensen te raken, uit te dagen en aan het denken te zetten. Hij had een kijk op de wereld die niet alledaags was, maar net daardoor zo waardevol.
‘We herinneren hem als iemand die zijn eigen weg durfde te bewandelen, die veel heeft gezien, veel heeft gemaakt en veel heeft gedeeld. Moge hij nu de rust vinden die hij in zijn leven vaak moest bevechten.’
En dan mijn gedicht:
voor A.B.
Op je binnenmuren reden ongure ruiters. Je schetste
de Apocalyps en verdronk in je tekeningen. Kijk, zei je
zie dan toch hoe ik besta. We zagen alleen hoe je neerkeek
het hoofd boog terwijl je hoogte zocht. Wat zag je daar
beneden? Schaakstukken, glazen, je wankele voeten,
een porseleinen pot? Met aarzelende tenen tastte je
de tegelvloer van de eenzaamheid af. Keer op keer
werd je naar de rand getrokken, dook als een zwemmer
zonder vliezen, losbandig dromend. De bodem lonkte.
Dan de dageraad waarop je loskwam van jezelf. Langzaam
klom je met de zon die in roze en gele snoepgoedtinten rees
boven de betontuin van de stad. Als een straatmus
hing je plots in het zuchten van de wind en beneden je
zag je een man die op je lijkt liggend op zijn buik
de armen gebogen in een zwemmende beweging
geverfde stoeptegels als een aureool om zijn hoofd.
Kijk, dacht je, kijk toch hoe het leven hem ontvalt.
Een gehelmde ruiter hield naast hem halt.
Een voor een leggen we een hand op de kist. De man van de Onderneming verzoekt ons even te wachten terwijl ze de kist tien meter verder rijden en in de kuil laten zakken. Na een paar minuten nodigt hij ons naderbij voor een laatste moment van bezinning. Ik kniel en laat het blad met mijn handgeschreven gedicht in de kuil dwarrelen. Natuurlijk landt het niet netjes op de kist, het glijdt onbeholpen tussen het hout en de aarde. Het leven is morsig, zoals meneer B. wel wist.
Wat een mooi in memoriam.