Meneer D.V. werd geboren op 23 oktober 1957 in Antwerpen. Hij overleed vermoedelijk op 8 juli 2026 op 68-jarige leeftijd in Antwerpen. De asverstrooiing vond plaats op donderdag 30 juli 2026 om 10u op strooiweide Platanendreef op ‘t Schoonselhof.
Als ik arriveer aan het gebouw waarin meneer D.V. woonde, langs een typische Vlaamse steenweg, heb ik weinig hoop dat ik mensen ga vinden die hem gekend hebben. Zo’n drukke autoweg geeft het idee van afstandelijkheid. De buurt is grijs en voornamelijk van beton. Ik duw alle deurbellen van het appartementsgebouw twee keer in en krijg geen enkel antwoord.
Op voorhand heb ik naar de ex-vrouw van D. gebeld. ‘Ik heb hem al zo lang niet meer gezien,’ zuchtte ze, waarna ze uitdrukkelijk zei dat ze niets meer voor me kon betekenen. Van de huisarts, die het overlijden vaststelde en berekende dat hij er al een week gelegen moest hebben, kreeg ik geen inhoudelijke informatie. Ook op internet kon ik niets over hem vinden. Terwijl ik naar de gevel van het gebouw staar, vraag ik me af hoe je afscheid neemt van iemand van wie je niets weet. Kun je iets met de kleur van een voordeur? De stem van een ex-vrouw?
Tot er een buurvrouw komt aanfietsen. Ze heeft de politie en commotie enkele dagen geleden gevolgd. ‘Ik had hem nog gezien.’ De buurvrouw draagt haar grijze haren in een paardenstaart en trekt aan die staart als ze nadenkt. ‘Waarschijnlijk één of twee dagen voordat hij vermoedelijk overleden is. Hij zat in het bushokje, niet om de bus te nemen, maar om uit te rusten na de wandeling naar de supermarkt en daarna zijn woning binnen te gaan.’
Ook van andere buren hoor ik dat D. heel vaak naar de supermarkt ging, met zijn shopping caddy achter hem aan. Uiteindelijk blijkt de grijze weg helemaal niet zo afstandelijk te zijn als hij op het eerste zicht overkomt. Ik spreek verschillende buren, die D. allemaal gekend hebben: de buurvrouw met de paardenstaart, de overbuurman die op een cowboy lijkt, de buurvrouw met de gesloten rolluiken omdat haar man overdag slaapt, de kalende man op slippers en alle bezoekers van het café op de hoek. Ik spreek de buren los van elkaar, maar samen bieden ze me een steeds ruimer beeld van D.
Alle buren vertellen dat het voor D. moeilijk werd toen zijn hond stierf. Een bordercollie. Sindsdien kwam hij niet veel meer buiten. Tot overmaat van ramp werd het appartementsgebouw gekocht door iemand die de huurders verbood om dieren in huis te hebben. Ook in het café op de hoek zagen ze hem minder en minder.
Twee bordercollies heeft hij gehad, na elkaar. Hij haalde ze uit het asiel en zorgde er erg goed voor. De cowboybuurman en de buurvrouw met de paardenstaart hebben ook honden, waardoor D. en zijn hond wandelingen maakte met hen. Toch vinden ze het beide moeilijk om hem te beschrijven. De buurvrouw trekt nog eens aan haar staart, de cowboybuurman gaat met zijn hand door zijn lange, grijze haren. Nee, ze kunnen het niet echt zeggen. ‘Tja,’ mompelt de buurman die op een cowboy lijkt, ‘achteraf vraag je je af waar je het dan over hebt gehad als je telkens een uur ging wandelen.’ Hij weet dat D. een broer en een zus had en denkt te herinneren dat de broer aan zelfdoding overleed. ‘Rond nieuwjaar,’ weet de buurman nog, ‘want sindsdien vierde hij geen nieuwjaar meer.’ De buurvrouw met de altijd gesloten rolluiken vertelt dat hij één keer per jaar bij zijn zus langsging, maar via de gemeente kan ik geen gegevens van de zus vinden.
De buren beschrijven een man met een ruw gezicht, blondros haar en wat baard. ‘Een sterke mens’, ‘nen toffe’, ‘een eenzaat’, ‘een dierenvriend’.
De buurvrouw met de gesloten rolluiken leerde D. kennen doordat hij midden in de nacht aan haar deur stond. Zijn hond was overleden, hij was in alle staten. Samen zijn ze naar de dierenkliniek gegaan en sindsdien kwam hij dikwijls bij de buurvrouw over de vloer. Hij kreeg zelf de reservesleutel van hun wagen, zodat hij hun auto kon lenen wanneer hij maar wou. Zo kon hij ook met de auto naar de winkel gaan – zijn favoriete bezigheid volgens de buurt. ‘Hij moest nooit voor benzine betalen,’ vertelt de vrouw, ‘en ook onze wasmachine en droogkast kon hij gebruiken.’ Deze vrouw is het dichtst bij hem kunnen komen van alle buren, om de zoveel tijd deden ze samen een terrasje. Hij vertelde over zijn tijd bij het Franse vreemdelingenlegioen, hoe hij als vleeskanon werd ingezet en dat overleefde. Ook vertelde hij over zijn problemen aan zijn hart en aan zijn rug, waardoor hij in de invaliditeit terechtkwam. De laatste tijd bibberde hij erg, enkele buren vermoeden dat hij parkinson had.
In het café op de hoek beginnen ze te knikken als ik zijn naam noem. D. kwam hier regelmatig, voordat zijn laatste hond stierf. Ze zaten vaak samen aan de bar, één van de mannen aan de bar vertelt dat D. zelfs bij zijn trouwfeest was – dat twintig jaar geleden plaatsvond in het café. Als cadeau gaf D. hem en zijn vrouw een rozelaar, dat weet de caféganger nog goed, want die heeft hij nog steeds. Toch vindt hij het moeilijk om hem te beschrijven. Alle mensen in het café en ook de mensen uit de buurt praatten met D. over het weer. Over de boodschappen die hij had gedaan. Over de honden, toen die er nog waren. Verder moet D. iemand geweest zijn die zichzelf goed af kon schermen van zijn omgeving. Iemand die honden boven mensen moet hebben verkozen als gezelschap. Iemand die daar de reden toe moet gevoeld hebben, na een zware legertijd en driedubbel verlies.
Met de uitvaartverzorgers zie ik Yousra komen aanfietsen. Samen wandelen we achter
de rouwauto naar de strooiweide, rondom de urn nemen we plaats. De uitvaartverzorger doet teken dat we nog dichter mogen komen, zodat we D. nabijheid kunnen geven tijdens zijn kleine afscheid. In een kringetje neemt eerst de uitvaartverzorger het woord, waarna ik mijn onderzoek toelicht en Yousra Benfquih haar gedicht brengt. We kijken uit over een veld waar je hem zo doorheen zou kunnen zien wandelen, met zijn hond aan de leiband, zijn rug naar ons toe, steeds verder weg.
Een man en zijn hond
trekken heen en weer
over de dagen
over de vlaktes
over de glooiende heuvels
tevreden met elkaars gezelschap
en op hun gemak
met de stilte, zijn ze
de man en zijn hond,
heen en weer gaand over de drukke banen
kwispelend, zacht knikkend naar wie hen kruisen mag.
Zo gaan ze – man en hond, hond en man steeds weer als
een herder die zijn schapen te grazen, steeds weer als de tijd
klotsend en kerend tussen de randen van een lemniscaat.
Over de brug, de man en de hond
langs het meer, de man en de hond,
onder het zilver soms van een maan.
onbekend de wensen die hij dan maakt.
onverteld de gevechten die hij voerde
onbestemd wat woog op zijn hart.
En wat deert het:
hij kent zijn hond, de man, en de hond kent hem:
een man, daarginds, in de verte,
een man zonder hond,
nu enkel een man
gaat steeds minder heen
steeds minder weer
over de dagen
over de vlaktes
over de heuvels die glooien.