Mijnheer J.d.M werd geboren op 4 oktober 1950 in Berendrecht en overleed op 28 april 2026 in het Sint-Elisabethziekenhuis in Turnhout. De asuitstrooiing vond plaats op 6 mei 2026 om 10:30 uur op begraafplaats Nazareth in Turnhout.
“In het noorden van het havengebied ligt een stukje van de provincie waar dijken, wolken en vesten een heerlijke symfonie vormen: de polders. De dorpen bezitten nog een sterk landelijk karakter met groene dijken, frisse weiden en stevig gebouwde hoeves; warm gehouden door de lage strodaken en het windscherm van de hoge bomen. De polder is de rijkste landbouwstreek van het Vlaamse land - gouden tarwevelden lopen er naar alle windstreken – waar nog met kloeke polderpaarden geoogst wordt”, zo schetst een documentaire uit 1955 de toenmalige polderdorpen ten noorden van Antwerpen.
Dat pittoreske kader vormt de geboortegrond waar mijnheer J.d.M. op 4 oktober 1950, in Berendrecht, geboren wordt. Ruim vijfenzeventig jaar later sterft hij in het Sint-Elisabethziekenhuis in Turnhout, een marathon oostwaarts van zijn geboortegrond. Over het leeuwendeel van het vijfenzeventigjarige leven van mijnheer J.d.M. weten we niets. De mensen uit zijn directe omgeving die we spreken - twee buren en een zorgkundige van Familiehulp - kennen hem maximaal tien jaar en slechts een van hen heeft weet van een handvol herinneringen aan de periode daarvoor. Zijn enige zus – die ons meer informatie over die andere vijfenzestig jaren zou kunnen bezorgen – leeft nog, maar kan door de Administratie niet bereikt worden.
Ruim drie maanden nadat ik de naam van het Laatste-Reis-Bureau nog op het scherm van mijn iPhone zag verschijnen, bellen zij mij opnieuw op. Het is de dag voor de Dag van de Arbeid. Zij brengen me op de hoogte van het overlijden van mijnheer J.d.M. en van zijn eenzame uitvaart een week later. Ik krijg ook de naam en het telefoonnummer van iemand van Welzijnsonthaal “aan wie het dossier van mijnheer J.d.M. overgedragen is”. Welzijnsonthaal bezorgt mij wat administratieve gegevens: de namen van zijn ouders en zus, zijn laatste adres, vorige adressen in Turnhout, Geel en Mol en de naam van zijn ex-echtgenote, maar “verder weten wij niets over mijnheer J.d.M. of diens leven”. Welzijnsonthaal bezorgt me ook het telefoonnummer van iemand in het ziekenhuis. Zij zou me vervolgens in contact kunnen brengen met een zorgkundige van Familiehulp die jarenlang bij mijnheer J.d.M. over de vloer kwam.
Nog diezelfde namiddag spreek ik telefonisch met de zorgkundige. Mijnheer J.d.M. was een redelijk sociale man, maar desondanks behoorlijk eenzaam. Hij deed graag een praatje met voorbijgangers wanneer hij op het bankje voor het gebouw zat, maar had geen vrienden of kennissen buiten de microbiotoop die zijn medebewoners vormden. Mijnheer J.d.M. woonde sinds 1996 in het nieuwe, moderne, drie verdiepingen tellende gebouw in een nieuwe, sociale wijk aan de rand van de stad. Hij woonde er gelijkvloers en had een klein tuintje waar hij erg van kon genieten. Voor 1996 had hij, hoog boven de begane grond, in een van de oude appartemententorens in de Parkwijk gewoond.
Ondanks zijn gezondheidsklachten – mijnheer J.d.M. had al lang zware maagproblemen – moest hij weinig van dokters of medicatie weten. Uit de gesprekken ontstaat de indruk dat mijnheer J.d.M. zich moeilijk kon neerleggen bij zijn groeiende afhankelijkheid. Misschien zette hij zich daarom geregeld af tegen de mensen die voor hem zorgden. Mijnheer J.d.M. was “niet de gemakkelijkste” zorgontvanger. Hij spaarde zijn kritieken niet en ging conflicten niet uit de weg. De laatste twee jaren ging de gezondheid van mijnheer J.d.M. achteruit en kwam er ook minstens een keer per dag een verpleger van het Wit-Gele-Kruis bij hem langs. Zijn initiële weigerachtigheid ten opzichte van de geboden, maar nodige, hulp, veranderde met het verstrijken van de jaren. “Eigenlijk had hij een goed hart en in the end was hij best dankbaar voor de hulp.”
’s Avonds word ik op een activiteit van mijn oude studentenclub in Turnhout verwacht. Ik vertrek veel vroeger dan oorspronkelijk gepland uit het Leuvense, want ik wil eerst nog bij het appartementsgebouw passeren om te polsen of enkele buren mij te woord willen staan.
Als ik aanbel bij buurvrouw Marian, wordt de deur van het gebouw geopend zonder dat er via de parlofoon gevraagd wordt wie er aanbelt. Ik aarzel even. Kan ik zomaar binnenwandelen? Dan zie ik een man richting de inkomhal stappen. We wisselen amper een minuut woorden uit - over de geopende deur, over wie ik zoek - wanneer buurvrouw Marian zelf aan de inkom verschijnt. De andere man blijkt haar zoon te zijn; ze nodigen mij uit om even binnen te komen.
Marian en wijlen haar echtgenoot kenden mijnheer J.d.M. sinds hij in het gebouw kwam wonen. Ze schetst een soortgelijk portret. In het begin bracht ze hem wel eens soep. Na een tijd hield ze dat voor bekeken. Hij had er altijd wel iets op aan te merken. Mijnheer J.d.M. en haar echtgenoot waren kameraden, maar het kwam af en toe tot conflicten die de vriendschap bekoelden. Haar man bracht de weigerachtige mijnheer J.d.M. eens naar de spoedafdeling van het ziekenhuis. Toen hij hem enkele dagen later belde om te polsen hoe het met hem ging, kreeg hij de wind stevig van voren: dat hij dat niet had mogen doen en dat hij nooit nog over de vloer moest komen, enzovoorts. Enige tijd later, weer thuis en meer in het reine met de hulp die hij gekregen had, kwam mijnheer J.d.M. zich dan weer verontschuldigen en kon de kameraadschap weer opgewarmd worden.
Buurvrouw Marian raadt me aan om ook met een bovenbuur te spreken die meer contact had met mijnheer J.d.M. “Maar die is net naar de winkel om boodschappen. Hij deed ook regelmatig boodschappen voor mijnheer J.d.M. Ik denk dat die pas over een uur terug zal zijn.” Omdat ik haar en haar zoon niet zo lang wil ophouden en omdat ik ook op een andere afspraak verwacht wordt, vraag ik haar of ze mij zijn telefoonnummer kan bezorgen en hem alvast wil melden dat ik in de komende dagen contact met hem zal opnemen.
Twee ‘lentefeesten’ en drie dagen later bel ik met Envert – bovenbuurman en de laatste kameraad die mijnheer J.d.M. had. Als ik hem vraag of mijnheer J.d.M. ook naar hem toe “gene gemakkelijke” was, nuanceert hij het als volgt: mijnheer J.d.M. was een goed mens die geen kwaad wilde doen, maar hij was “nogal ongefilterd en direct in zijn communicatie”.
Mijnheer J.d.M. werd ‘eenzaam’ begraven, maar bij leven had hij toch graag contact met anderen; ook al bleef dat beperkt tot praatjes met mensen die passeerden bij het bankje voor het gebouw, waar mijnheer J.d.M. graag zat, of zijn contacten met Envert en diens vrienden.
Envert kende mijnheer J.d.M. ook sinds 1996 en ze deelden tal van interesses: computers en informatica (ondanks zijn leeftijd was mijnheer J.d.M. absoluut geen digibeet en “hij heeft mij veel geleerd over software”), muziek (mijnheer J.d.M. “hield van klassiek en van pop uit de jaren ’60, ’70 en ’80; helaas ging zijn gehoor de laatste jaren achteruit”), geluidsinstallaties (beide heren hebben een zwak voor de betere geluidsinstallaties en boxen), film (Netflix en documentaires over allerlei landen op de ‘home cinema’ van Envert), lekker eten (Envert nodigde ieder weekend vrienden - waaronder mijnheer J.d.M. - uit op zijn appartement om samen te tafelen) en wijn (mijnheer J.d.M. had behalve een gewone koelkast ook een speciale koelkast voor zijn wijncollectie) en ze gingen – toen mijnheer J.d.M. nog beter te been was – ook samen fietsen of naar de rommelmarkt.
Tijdens hun bezigheden haalde mijnheer J.d.M. wel eens herinneringen aan vroeger op. Via zijn kameraad komen we dus toch nog wat te weten over het leven van mijnheer J.d.M. voor 1996.
Mijnheer J.d.M. had de kost verdiend als dakwerker; “een stevige bouwvakker van 110 kilogram”. Tegen het einde was daar nog weinig van over. Hij ging met plezier op café en reisde ook graag, Envert vertelde over vakanties in Nice, waar mijnheer J.d.M. in zijn Amerikaanse slee naartoe reed.
Over de zus van mijnheer J.d.M. weet Envert niets, behalve dat ze nog leeft, “ergens in Antwerpen” zou wonen en dat ze elkaar “al 20 of 30 jaar niet meer gesproken hebben”. De Administratie had ons al verteld dat de zus in 1998 – circa 30 jaar geleden, dus - heel even op hetzelfde adres als mijnheer J.d.M. ingeschreven was. Wat er toen gebeurd is dat tot een breuk geleid heeft, blijft gissen.
Welzijnsonthaal had mij enkele dagen eerder gemeld dat mijnheer J.d.M. nog getrouwd was, maar dat zijn echtgenote sinds 1992 niet meer op zijn adres ingeschreven stond. Als ik Envert vraag of hij hier meer over weet, licht hij de situatie toe: mijnheer J.d.M. was daar “naïef in geweest”, zij was enkel met hem getrouwd “voor de papieren”, want al snel na de voltrekking van het huwelijk trok zij bij iemand anders in. De situatie mondde uit in ruzies en politie-interventies. Uiteindelijk keerde de echtgenote terug naar de Democratische Republiek Congo. Omdat er toen nog weinig duidelijke regelgeving rond schijnhuwelijken bestond, blijft onduidelijk of zij vrijwillig vertrok of werd uitgewezen. Ook over het juridische statuut van het huwelijk bestaat onzekerheid. We hebben geprobeerd te achterhalen of we deze dame op een of andere manier konden traceren en contacteren, maar dat lukte niet.
Op zondag 19 april hadden Envert, mijnheer J.d.M. en nog enkele mensen samen getafeld tijdens het wekelijkse etentje op Enverts appartement. De volgende dag werd mijnheer J.d.M. opgenomen in het ziekenhuis op de afdeling Cardiologie. Enkele dagen later kreeg hij een zware maagbloeding. Een operatie volgde. Daarna werd hij tijdelijk kunstmatig in coma gehouden. Op maandag was hij uit de coma ontwaakt en maakte Envert plannen om mijnheer J.d.M. in het ziekenhuis te gaan bezoeken. Dat kwam er niet meer van; op dinsdag 28 april kwam het nieuws dat mijnheer J.d.M. overleden was.
“Ik kende hem als mijn broer.” Daarna valt spraakwaterval Envert even stil. Ik nodig hem uit om de week nadien op de asuitstrooiing aanwezig te zijn, maar hij moet tot zijn spijt werken die voormiddag. Voor we afscheid nemen, vraagt hij me of hij misschien wat as van mijnheer J.d.M. kan krijgen als aandenken. Ik beloof hem om het met het Laatste-Reis-Bureau te bespreken.
Het weer laat zich al een aantal dagen van zijn slechtste kant zien en ook op de ochtend van de asuitstrooiing is het grijs en regent het oude wijven wanneer ik richting Turnhout vertrek. Marian had laten weten dat ze graag aanwezig wilde zijn, op voorwaarde dat het niet regende. Ze rijdt geen auto en ziet een fietstocht door de regen niet zitten. Daarom stel ik voor haar met de wagen op te pikken. Marian heeft een bosje gele tulpen mee. Een week eerder hadden zij en Envert het tuintje van mijnheer J.d.M. nog gemaaid. “Voor als hij terugkwam uit het ziekenhuis.”
Terwijl we staan te wachten op de dichter van dienst – het regent ondertussen gelukkig niet meer - laat de man van het Laatste-Reis-Bureau weten dat het ziekenhuis de gsm en nog wat andere spulletjes van mijnheer J.d.M. bezorgd had. De gsm steekt in een lederen beschermhoesje en in het hoesje steken drie naamkaartjes van mijnheer J.d.M.; op de achterkant van een van de naamkaartjes staat een adres in Turnhout, op een ander valt mijn oog op de naam die bij een gsm-nummer genoteerd staat: het is de naam van de zus van mijnheer J.d.M. Ik ben even stomverbaasd. Hadden ze dan toch opnieuw contact? Ik neem een foto van het kaartje; misschien kan zij alsnog iets vertellen over het leven van haar broer.
Tom arriveert. Het is druk op de begraafplaats. Er zwerven groepjes scholieren tussen de rijen met grafstenen die een of andere uitleg krijgen van aanwezige leerkrachten en nadien een blad met vragen in de hand geduwd krijgen. Een groepje van circa 15 leerlingen en enkele leerkrachten, die op iets of iemand staan te wachten, kijken ons na als we achter de wagen naar de uitstrooiweide stappen.
Ik richt me kort tot mijnheer J.d.M. en Marian en geef daarna het woord aan Tom om zijn gedicht voor te dragen.
Vanaf de daken bekeken
leek de wereld vast klein.
Elke dag begon met een beklimming.
Ik stel me voor dat het je trots maakte
dat je een lichaam had
waarmee je huizen dicht kon leggen.
Dat je een vakman was.
Dat juist dat lijf je begon te verraden
moet pijn hebben gedaan.
Je vond het lastig te worden gedragen.
Het lastige aan hulp behoeven
is dat men dank verwacht
voor wat je voordien zelf kon.
Onder je pannen school
een goede bovenkamer
en een hart voor het leven,
goede wijnen, lekker eten,
muziek en een Amerikaanse slee
waarmee je naar het Zuiden reed.
Je vond onderdak
onder een goede bovenbuur.
De babbel op het bankje,
het genot van een diner,
een liefde die vertrokken is
- het was geen eenzaam leven.
Nee
zelfs vanaf de daken bekeken
heb je iets voorgesteld,
heb je iets opgebouwd,
kan je met opgeheven hoofd
de ladder af.
Je hebt iets neergelegd.
De verwijzing naar de Amerikaanse slee en de vakanties naar het Zuiden toveren een brede glimlach op het gezicht van buurvrouw Marian. Zij was op voorhand enigszins nerveus om hier te komen; nog geen half jaar geleden werden de assen van haar echtgenoot hier ook uitgestrooid. Zij kiest het plekje waar we de assen van mijnheer J.d.M. uitstrooien. We groeten het plekje in het gras en leggen de tulpen erbij. De zon breekt door de wolken wanneer we traag naar de parking terugwandelen. Bij eerdere uitvaarten herinner ik me geen vogels in de bomen.
Marian nodigt me nog uit voor een kop koffie, maar het is woensdag en mijn zonen komen op de middag van school, dus ik moet haast maken.
Pas later die dag zie ik dat het gsm-nummer op de foto onvolledig is. De laatste twee cijfers ontbreken. Daarmee glipt de laatste kans om uit eerste hand meer over zijn leven te vernemen mij uit de vingers.
Sommige dingen zeggen jullie zo mooi en treffend, dat je bij leven begot voor een eenzame uitvaart zou kiezen.