Mijnheer L.V.E. werd geboren op 27 augustus 1959 in Lier. Hij overleed op 15 januari 2026 in de gevangenis van Turnhout. De uitvaart vond plaats op 26 januari 2026 om 14 uur op begraafplaats Nazareth in Turnhout.
Een van de eerste dingen die ik doorgaans doe nadat het Laatste-Reis-Bureau mij contacteert om een eenzame uitvaart te melden, is de naam van de overledene in een zoekmachine gooien. Meestal levert dat niets op.
Ik ben dan ook aangenaam verrast wanneer de zoekmachine bij de naam van mijnheer L.V.E. tientallen foto's en krantenartikelen op mijn laptopscherm tovert. De recentste zijn slechts enkele dagen oud, de oudste gaan ruim tien jaar terug in de tijd. Het aangename verrassingsgevoel ruimt snel baan voor verbijstering wanneer ik de krantenartikelen op hun inhoud scan. Ik zie de woorden en ik lees de zinnen, maar mijn brein loopt vast als een oude processor die teveel data moet verwerken.
Wat ik lees over mijnheer L.V.E. doet mij stevig achter mijn oren krabben in ongeloof. De krantenartikelen spreken over ruim twintig eerdere veroordelingen wanneer hij in mei 2015 levenslang krijgt voor de moord op zijn tweede echtgenote die hij als een zelfmoord ensceneert. Een ruim decennium eerder zit hij al een gevangenisstraf uit voor een moordpoging op zijn eerste echtgenote. De gerechtspsychiater spreekt over "een narcistische persoonlijkheidsstoornis met psychopate trekken." Wat mijnheer L.V.E. op zijn kerfstok heeft, maakt dat er in wezen geen lichtzinnig verhaal vertelt kan worden. In de uren die volgen, dreunt er één gedachte door mijn hoofd: "Wat moet ik hier mee?" Een vraag die zich niet snel of eenvoudig laat beantwoorden.
We leven in een democratische rechtsstaat waarin de menselijke waardigheid vanuit juridisch oogpunt onvoorwaardelijk is. Ze moet niet ‘verdiend’ worden door een schuldbekentenis, door berouw of door boetedoening in morele zin, ze wordt gegarandeerd door onze grondwet, door het E.V.R.M. en rechtspraak rond detentieomstandigheden. Tegelijk staan we met beide voeten in een publieke cultuur die waardigheid wél koppelt aan zulke morele verwachtingen – bekent een dader schuld? getuigt hij van spijt? - en die waardigheid moreel opschort als daar niet aan voldaan wordt, zoals in het geval van mijnheer L.V.E.
De publieke maatschappij kan op verschillende wijzen reageren op het overlijden van levenslang gedetineerden die achter de tralies overlijden.
Door stilte, bijvoorbeeld - iemand letterlijk (blijven) doodzwijgen; niet bij wijze van ‘vergelding’, maar als vorm van ‘morele grensbewaking’, omdat de overledene zichzelf als mens in een ‘morele leegte’ heeft geplaatst. Maar ze kan ook veel kabaal maken; zoals het geval is op sociale media bij de krantenberichten over het overlijden van mijnheer L.V.E. Het valt mij op dat de commentaren van deze mensen – hoewel zij die wellicht vanuit eenzelfde nood aan ‘morele grensbewaking’ schrijven – vaak doordesemd zijn met oudtestamentische, wraakzuchtige sentimenten.
Waar ligt hier de gulden middenweg?
In de spreidstand tussen jurisdictie en publieke moraal, tussen zwijgen of spreken, tussen gewenste sereniteit en de heftigheid van furiosi en reaguurders, vind ik houvast in de eenvoud van het uitgangspunt van De Eenzame Uitvaart: dat niemand zomaar mag sterven zonder dat iemand naar hen omkijkt. Ook wanneer het leven dat eindigt niet alleen eenzaam is, maar ook zwaar beladen, wanneer de overledene niet alleen fysiek dood is, maar ook maatschappelijk verworpen en wanneer het benoemen van zijn eenzame dood onvermijdelijk raakt aan het leed van anderen. Ook op dat ongemakkelijke snijvlak, moeten we aan dat principe vasthouden.
De meeste eenzame uitvaarten gaan over levens die langzaam uit het zicht verdwijnen door armoede, psychische kwetsbaarheid of sociale ontwrichting met andere, ‘gewone’ oorzaken. Het is een eenzaamheid die doorgaans mededogen oproept. Maar er is ook eenzaamheid die het gevolg is van het overschrijden van juridische en morele grenzen, die ontstaat wanneer iemand door zijn daden onherroepelijk buiten de maatschappij komt te staan.
Mensen die een levenslange gevangenisstraf uitzitten, zijn niet alleen fysiek geïsoleerd, maar ook symbolisch. In de ogen van de maatschappij zijn zij al 'sociaal dood' lang voor ze echt overlijden. Ze bestaan nog als mens, maar hun aanwezigheid in de samenleving is beperkt tot hun dossier, hun misdrijf, hun straf en tientallen artikelen daarover. Hun identiteit is gereduceerd tot wat hun uit die samenleving verwijderde. Wij romantiseren die eenzaamheid niet, maar we erkennen ze wel. Ook zij eindigt in de dood.
Onze aanwezigheid op de asuitstrooiing van mijnheer L.V.E. houdt geen vergeving in, herschrijft geen beladen leven tot een onschuldig verhaal, minimaliseert geen schuld, verzacht geen geweld en wil zeker geen afbreuk doen aan het verdriet en de pijn van de slachtoffers. Dat leed staat niet tegenover de laatste groet die wij brengen; het staat ernaast - zwaar, onverminderd, onaangeraakt. Onze aanwezigheid bij deze eenzame dode is ook geen morele herverdeling van aandacht, geen verschuiving van empathie van slachtoffer naar dader. Het is geen balansherstel - de weegschaal weegt zwaarder door naar één specifieke kant en dat kan nooit worden rechtgezet. In de missieverklaring van De Eenzame Uitvaart staan respect en solidariteit voor medeburgers centraal. Die solidariteit vraagt geen identificatie, zij vraagt niet dat wij onszelf kunnen of willen herkennen in de overledene. Zij schenkt geen vergeving en schort geen oordelen op. Zij vraagt enkel dat wij weigeren te doen alsof iemand nooit heeft bestaan wanneer die eenzaam overlijdt, ongeacht en zonder meer.
Het enige dat er dan nog rest, is een klein ritueel: een urne, een groet, een gedicht en een verslag. Dat ritueel is geen rehabilitatie, het is een morele ondergrens: een weigering om een mens volledig te laten verdwijnen zonder dat iemand naar hem omkijkt. Niet omdat diens leven goed was, maar omdat het er was. Het onderzoek naar het leven van mijnheer L.V.E. en dit verslag zijn geen reconstructie met het oog op - onmogelijke - zuivering, noch een poging tot morele afronding. Het is zoeken naar mogelijke contouren van een complex leven dat niet eenvoudig was en ook niet eenvoudig herdacht kan worden. Het gedicht is geen verzoening, maar ook geen doodzwijgen. De dichter van dienst spreekt op een ogenblik waarop, en voor een mens waarvoor, de samenleving misschien geen taal meer over heeft.
Het gebruikelijke ‘buurtonderzoek’ waarbij ik bij buren, medebewoners of personeel van een woonzorgcentrum of andere mensen uit de omgeving van de overledene aanklop om informatie over het leven van de overledene te sprokkelen, is in het geval van mijnheer L.V.E. niet aan de orde. In de vier dagen tussen de melding en de uitvaart neem ik contact op met zoveel mogelijke personen en instanties die betrokken waren bij ‘de zaak L.V.E.’ – de gevangenisdirectie van Turnhout, de advocaten die hem initieel als cliënt hadden toen hij voor het Hof van Assisen in Antwerpen moest verschijnen (maar die door een vertrouwensbreuk kozen om hem uiteindelijk niet te vertegenwoordigen) en de advocaat die hem uiteindelijk wel zou bijstaan. Overal wordt mijn nummer genoteerd met de boodschap dat ik teruggebeld zal worden.
In afwachting van die telefoontjes leg ik de eerste puzzelstukken van mijnheer L.V.E.’s leven op basis van de informatie die het Laatste-Reis-Bureau mij kan bezorgen en wat ik in krantenberichten terug kan vinden.
De dame van het Laatste-Reis-Bureau weet waar en wanneer mijnheer L.V.E. geboren wordt - in Lier en op de donderdag van de openingsceremonie van de derde Pan-Amerikaanse Spelen in Chicago – en waar en wanneer hij overlijdt - in wat in de Turnhoutse volksmond ‘de Wezenstraat’ heet en op de dag dat de Venezolaanse María Corina Machado de medaille van haar Nobelprijs voor Vrede in het Witte Huis achterlaat.
Uit de pers we weten onder andere dat mijnheer L.V.E. lang in Westerlo woont - misschien is hij wel een fan van de ‘Kempenhanen’ van KVC? We lezen tussen de lijnen door dat hij de kost verdient als zelfstandige – er is sprake van het uitschrijven van en fraude met facturen – maar we hebben het raden naar de branche waarin hij werkt. Citaten uit de mond van betrokkenen bij het Assisenproces leren ons dat hij nooit echte vrienden heeft en dat er in zijn leven geen figuren zijn die hem goede raad kunnen geven of bijsturen waar nodig. We stuiten op passages over de relatie van mijnheer L.V.E. met zijn moeder; die is allesbepalend en -overheersend - ze zijn twee handen op één buik en vormen een eiland op zichzelf, omringd met vijandigheid; althans in hun ogen. Er wordt verklaard dat de liefde voor zijn moeder zo groot is, dat er voor andere vrouwen nog weinig liefde overblijft. We weten ook dat hij, desondanks, twee keer in het huwelijksbootje stapt, maar dat het schip twee keer zinkt; de schip- en relatiebreuken zullen mijnheer L.V.E. twee keer aanzetten tot de gekende daden.
Bij het einde van de tweede dag na de melding van de eenzame uitvaart van mijnheer L.V.E. zijn de beloofde telefoontjes nog niet binnengekomen. Ik laat aan de dichter van dienst weten dat de informatie die ik over ‘de mens L.V.E.’ heb erg beperkt is, dat ik het antwoord op mijn “Wat moet ik hier mee?”-vraag ondertussen ken en dat ik daar in mijn verslag op in zal gaan. Tom laat weten dat hij alvast aan zijn gedicht begon en stuurt me een eerste versie waaruit blijkt dat we op dezelfde golflengte zitten.
Ik probeer nog een ander spoor. Via de hoofdaalmoezenier van de Nederlandstalige, katholieke aalmoezenierdienst in de Belgische gevangenissen kom ik in contact met de huidige en de vorige aalmoezeniers van de gevangenis van Turnhout. Zij laten mij beiden weten dat zij mijnheer L.V.E. nooit spraken – correcter is wellicht dat mijnheer L.V.E. nooit met hen wilde spreken - maar via een omweg, langs het zorgpersoneel in de gevangenis, kan Anne-Mie, die recent gepensioneerd is als aalmoezenier, maar nog wel als vrijwilliger in de gevangenis werkt, ons toch nog iets vertellen over mijnheer L.V.E. dat niet via krantenberichten overgeleverd is.
Mijnheer L.V.E. was een erg gesloten man, die weinig contacten zocht met anderen en niet aan activiteiten deelnam. Bezoek kreeg hij nooit. Hij was koppig en wat onvoorspelbaar. Zijn ‘guilty pleasures’ waren muntjes en speculaas en zijn favoriete kledingstuk was zijn Adidas-short. Mijnheer L.V.E. at erg graag soep en buitengewoon véél soep – sinds zijn overlijden blijkt er een soepoverschot te zijn op zijn afdeling.
Tijdens de rit naar begraafplaats Nazareth komt een van de beloofde telefoontjes alsnog binnen. Meester De Schrijver, de advocaat die drie dagen voor de start van het Assisenproces de taak van zijn opgestapte confrater overneemt, benoemt ook wat hierboven al werd meegedeeld over mijnheer L.V.E., maar weet onder andere toe te voegen dat hij drie kinderen uit zijn eerste huwelijk had, dat hij zijn moeder ‘moeke Heultje’ (Heultje is een deelgemeente van Westerlo) noemde en dat hij een technisch handige man was die wellicht renovaties of allerlei kluswerk deed. Hij typeert mijnheer L.V.E. als een dankbaar cliënt. Maar om hem, in het kader van het grotere plaatje, in zijn kern te omschrijven, verwijst De Schrijver naar Johnny Cash en de archetypische ‘solitary man’ die in diens repertoire ronddwaalt.
Het is bar koud op de dag van de uitvaart – als ik om kwart voor twee de parking op rijd, zie ik Tom bij de ingangspoort witte wolkjes uitademen - en ligt Turnhout onder een dik deken van grijsbruine mist – op de terugweg naar huis vertelt een nieuwsbulletin me dat het geen mist, maar fijnstof is. Voor de sfeer op de volledig verlaten begraafplaats maakt het geen verschil, die baadt hoe dan ook in kille, klamme somberheid.
Anne-Mie heeft me de vorige dag laten weten dat zij ook aanwezig zal zijn; voor mijnheer L.V.E. en om het humane gebaar van deze laatste groet te versterken. Terwijl we wachten op de wagen met de urne toont ze ons twee liturgische gedichten van Huub Oosterhuis die zij voor mijnheer L.V.E. zou willen lezen. Het ene is gebaseerd op een passage uit het evangelie van Johannes, het andere – niemand weet of mijnheer L.V.E. een gelovig man was – is van een strekking die zich ook niet-religieus laat lezen.
Het vertrouwde gezicht dat net voor twee uur uit de wagen van het Laatste-Reis-Bureau stapt, vraagt naar onze praktische voorkeuren - of we rechtstreeks naar de strooiweide willen of toch nog even halt willen houden bij de sokkel waar de urne tijdens meer uitgebreide uitvaarten neergezet wordt en of we nog mensen verwachten. We zijn voltallig en wensen halt te houden bij de sokkel om daar een laatste woord tot mijnheer L.V.E. te richten.
Het is hooguit twee- à driehonderd meter wandelen, achter de wagen met de urne, van bij de ingang van de begraafplaats tot bij de sokkel, maar iedere stap draagt een zekere bevreemding met zich mee. Fysiek zijn we amper een meter van mijnheer L.V.E. verwijderd, maar de omstandigheden – het buitengewone verhaal achter deze eenzaam overledene en de gedachte, dat er mensen zullen zijn die onze intentie niet zullen appreciëren, die in mijn hoofd blijft rondspoken – zorgen dat de innerlijke afstand vandaag groter is dan anders.
Wanneer de urne op de sokkel staat, richt ik als eerste het woord tot mijnheer L.V.E. Ik benoem ook voor hem waarom we vandaag aanwezig zijn en wat dat wel en niet betekent. Daarna neemt Anne-Mie het woord. Zij leest een eerste gedicht van Oosterhuis waarin deze treffende versregels weerklinken:
wat ik gewild heb
wat ik gedaan heb
wat mij gedaan werd
wat ik misdaan heb
wat ongezegd bleef
wat onverzoend bleef
wat niet gekend werd
wat ongebruikt bleef
al het beschamende
neem het van mij
en dat ik dit was
en géén ander…
Daarna leest Tom zjin gedicht voor mijnheer L.V.E.
Beste L.V.E.,
Vandaag dacht ik
dat we meer nog
dan de data op een steen
mensen tot een vonnis herleiden.
We schrijven hen af in de begroting
van ons leven alsof daar de kous mee af is.
alsof je nooit meer was.
Zoon,
hoopvol kind,
buitenstaander wellicht.
Hoe vaak heb ik met een vonnis
mensen in één hersencel gepropt
om daarna de data te wissen.
Vandaag wil ik je meer maken
dan dat vonnis.
Je leven een verhaal
en niet slechts
een verzachtende omstandigheid.
Dat wat binnen de muren
van je hoofd gebeurde
levenslang een zoektocht was.
Een gevecht met het uitzichtloze,
een meditatie met de tijd.
Hier stopt de wraak
van de maatschappij;
dat de tijd
die we van je genomen hebben
genoeg mag zijn
voor iedereen die slachtoffer was.
Dat we de keten
letterlijk doorbreken.
Dat je vrij bent
en wie weet…
Vandaag ben je voor mij
op de eerste plaats een mens.
zoveel meer dan we over je uitspraken.
Een onbeschreven vreemde.
Nadat Anne-Mie een tweede Oosterhuis-gedicht voorgelezen heeft en we alle vier de urne gegroet hebben, zoeken we een plaatsje op de strooiweide voor de assen van mijnheer L.V.E. De man van het Laatste-Reis-Bureau tekent met zes of zeven, traag heen- en weergaande slingerbewegingen de laatste rustplaats van mijnheer L.V.E. af in het gras.
Wanneer we op de parking afscheid nemen van Anne-Mie en haar bedanken voor haar aanwezigheid laten we begraafplaats Nazareth even verlaten, koud en kil achter als we haar aantroffen. Terug in de warmte van mijn auto laat ik mijn gedachten dwalen naar de mensen die pijn en verdriet gekend hebben in het verhaal van mijnheer L.V.E. Ik hoop dat deze eenzame uitvaart ook voor hen, op een of andere manier, een eindpunt van iets mag zijn.
Respect voor jullie filosofie en voor jullie engagement.
Zelfs voor deze man een waardig afscheid organiseren is echte naastenliefde.
Bedankt
Heel sterk.
Mooi, mooi, mooi. En sterk.