Meneer R.S. was geboren in Mortsel op 1 december 1950. Hij is thuis overleden gevonden op donderdag 17 juli 2025. De assenuitstrooiing vond plaats op dinsdag 12 augustus 2025 om 10:00 op de strooiweide De Wingerd van begraafplaats ’t Schoonselhof in Antwerpen. Dichter van dienst was Bart Stouten.
Een zonnige voormiddag, een paar dagen voor de uitvaart. Ik fiets naar de plek waar Meneer R.S. gewoond heeft, hartje Schipperskwartier in Antwerpen. Het is een stille verkeersvrije straat. Ik vind zijn naam terug op een van de deurbellen van de appartementen waarin een prachtig oud en gerenoveerd pand is onderverdeeld en verhuurd als sociale woningen. Ik kijk eens om me heen of ik niemand kan aanspreken.
U kunt het best de buurvrouw even vragen, zegt een werkster die de straat aan het vegen is, vlak voor het café schuin tegenover het appartement van R.S. Ze gaat met me mee tot bij de buurvrouw op het gelijkvloers en tikt tegen het raam. De buurvrouw verschijnt al snel in de voordeur. Ze heet J., verneem ik, een charmante vrouw die me vertelt dat ze even oud is als R., 75 jaar; al schat ik haar jonger.
De mensen in ‘den blok’ dragen best wel zorg voor elkaar, gaat ze verder. R. passeerde dagelijks langs haar keukenraam dat uitkijkt op de binnenplaats van het gebouw. Ik word prompt uitgenodigd om er een kijkje te gaan nemen. ‘Zet je fiets maar in de gang’, zegt J.
De binnenplaats is een gezellige plek, waar mensen terrasgewijs stoeltjes en tafels hebben neergezet. Twee mannen aan de overkant zitten gezellig te praten. R. passeerde zoals gezegd dagelijks twee keer aan het keukenraam van J. Tussen 10 en 11 uur ’s morgens ging hij op weg naar het krantenwinkeltje op ’t Klapdorp . Daar dronk hij zijn eerste kop koffie. Dan ging hij te voet naar de Delhaize of de Carrefour wat verderop en bij het naar huis keren, zowat een klein uur later, dronk hij zijn tweede kop koffie bij de dame van de winkel.
J. vertelt dat er ook al eens pakjes voor elkaar werden afgehaald of boodschappen gedaan als het even niet goed ging. Hoe dan ook, J. heeft de politie gebeld nadat ze al een paar dagen R. niet gezien had. Eerst was ze langs de dame van de krantenwinkel geweest om te vragen of die iets wist over R. Ook deze dame maakte zich zorgen. Diezelfde dag nog werd R. dood op de vloer van zijn woonkamer aangetroffen. Waarschijnlijk is hij ongelukkig ten val gekomen. De vinken die R. in huis had, lagen ook dood in hun kooitje. En zijn kat is vermoedelijk ontsnapt langs het dak. Niemand heeft haar in ieder geval na de dood van R. nog gezien.
Er is geen lift in het gebouw, vertelt J. En dat betreurt ze. R. moest dagelijks drie trappen op. Stappen en trappen doen, het ging almaar moeilijker voor hem. Hij was recent ook sterk vermagerd waardoor J zich al afgevraagd had of er kanker in het geding was.
Dat vertelde de man allemaal niet. Hij was een eenzaat, zegt ze, zeer introvert, hij zei geen woord ooit over het verleden, familie of vrienden of relaties. Het uitvaartcentrum sprak van een broer in Portugal maar daar weet J. niets van. Ze weet wel dat R. vroeger huisschilder geweest was. In loondienst. Dat hij in de stad veel gevels opgekuist en geschilderd had. Onder meer die van het pand recht tegenover zijn appartement. J. weet ook dat R. dertien jaar geleden, samen met een andere buurman A., hier zijn intrek had kunnen nemen nadat hij een tijdje dakloos was geweest.
Het is voor de buurvrouw helaas niet mogelijk om de uitvaart bij te wonen. Te slecht te been. Er is geen openbaar vervoer meer, de tram op de Groenplaats, de meest dichtbije, is voor haar simpelweg te ver. Terwijl ik haar de hand schud, zegt ze dat zij wel nog contact heeft met haar broer en dat ze alles geregeld heeft voor het geval er haar iets mocht overkomen. Ze wil niet zo eenzaam sterven als R. Tot niet te snel, drukt ze me op het hart. Ze vraagt of ik het verslag en het gedicht dat Bart zal schrijven, wil opsturen. Ze zou graag iets op papier bij kunnen houden, zegt ze. Ze slikt iets weg bij deze woorden.
Dinsdag 12 augustus, kwart voor tien, is het al warm. Vandaag zijn vier uitvaarten gepland en ik merk dat ik vergeten ben een flesje water mee te pakken. Ik krijg een sms van het uitvaartcentrum: de corbillard waarmee men vandaag gepland heeft uit te rijden is defect. De voorganger en zijn chauffeur komen eraan maar met de Mercedes-camionette.
Ze zijn nog steeds precies op tijd. M., de voorgangster van dienst, verontschuldigt zich voor de wagen. Ik stel haar gerust. De Mercedes-camionette is ook best een mooie uitvaartwagen.
Ze stelt ons voor aan de nieuwe collega N. Af en toe zal ze hem wijzen op de geplogenheden van ons ritueel.
Bart heeft een vriendin meegebracht die graag een paar foto’s wil nemen. Discreet uiteraard en gewoon als aandenken voor Bart aan zijn inzet voor de eenzame uitvaarten in Antwerpen.
Met vier vertrekken we stipt op tijd voor de ceremoniële gang achter de wagen naar de strooiweide. Bij aankomst aan strooiweide De Wingerd, leg ik de rode roos die ik heb voorzien voor R. op de urne die intussen op de urnenzuil is neergezet. De voorgangster heet ons welkom, herinnert ons aan de cirkel van leven en sterven en geeft me aansluitend de gelegenheid te vertellen over mijn ontmoeting met R.’s buurvrouw. Daarna krijgt Bart het woord:
De vuurtoren (voor R.S.)
DEEL 1
Drie trappen tussen jou en de dag.
Twee keer een knik naar de oude golven.
Elke morgen telde je je kinderkopjes,
op weg naar zwarte troost bij de kiosk.
Langs pannen glipte je kat haar vrijheid in.
De vinkjes spookten in hun verlaten kooi.
Een buurvrouw ving je ijle schaduw
achter de lantaarn over de oceaan.
Trapgat met oude passen. Geen lift
in een huis met je koffiegeurige adem.
ik bestijg met jou de jaren van je leven,
in mijn vuurtoren, recht naar je sterren.
Een broer in Portugal, misschien de zee
waar Pessoa zijn maskers liet waaien.
Jij bleef hier, je familie was een gedicht
dat nooit geschreven werd. Dit is het dan.
DEEL 2
Wind prevelt tussen sintelende verzen,
spiraaltrap naar een vurige droom,
antwoordt met geknetter op een laatste
lichtflits. Gefluister vermomd als einde.
Alleen blufgozertjes kennen geen dood.
Ook het leven blijft hun ontzegd,
leidraad voor gewiste illusie. Jij zoekt
uitgeglansd leven, draaiend over zee.
Twee mannen vonden je, gevallen.
Je benen verrieden wat je mond ontkende.
Het gaat wel over, had je zachtjes gezegd.
Hoop? Een jas die niet meer paste.
Jij bent herinnering aan wat had kunnen zijn,
belofte van wat nog durft te worden.
Signalen voor wie je naam vergat, draaiend
in de branding, pulserend in het uur
dat maskers loslaat.
Herinnering aan wat had gekund, belofte van wat zou kunnen: de woorden van Bart zinderen na in de stilte die volgt. Er is een zacht gezoem hoorbaar dat ik niet onmiddellijk thuis kan brengen. Misschien is elders een andere uitvaart bezig?
De as wordt uitgestrooid en ieder van ons neemt afscheid op eigen wijze. Ik leg mijn roos naast de grijze rechthoek op de weide en maak een buiging.
De planten tegen de muren aan de rand van de strooiweide hebben te lijden onder de droogte. Het valt me plots op wanneer ik tezamen met Bart en D. al wandelend terugkeer naar de plaats waar we vertrokken zijn.
M. de voorgangster en haar collega N. moeten intussen de urne ophalen van de tweede eenzame uitvaart van vandaag.
Mr Stouten, dit is één van de mooiste gedichten, eigenlijk een ode aan Mr.R.S....dankjewel hiervoor.