Meneer B.M. werd geboren op 2 december 1952 in Mortsel. Hij overleed op 3 juli 2026 op 73-jarige leeftijd in Antwerpen. De asverstrooiing vond plaats op donderdag 16 juli 2026 om 13u00 op strooiweide Platanendreef op ‘t Schoonselhof.
Een voordeur met zeker tien deurbellen, vele zonder naam erbij. De enkele namen zijn met pen geschreven en daardoor erg onleesbaar. Die van B.M. vind ik niet, ook niets dat erop lijkt. Met mijn zoontje van drie maanden in de draagzak sta ik voor de deur te dralen, wanneer iemand naar buiten komt. Een jong persoon met een pet op, hij heeft nog nooit van B.M. gehoord. De tweede persoon die hem meteen volgt spreekt Engels en knikt ook van niet. Ze vertellen dat dit een woning is waar veel mensen een studio huren, zowel jong als oud. Samen wijzen ze naar het huis op de hoek van de straat. ‘Daar vind je de huurbaas,’ zegt de jongen met de pet.
De deur van het kantoor van de verhuurder staat open. Ik wijs naar mijn draagzak en vertel dat ik snel wou komen en geen oppas kon vinden. In het contact tussen de verhuurder en B.M. stonden de kinderen van de verhuurder ook altijd centraal. ‘Ik had hem eens vertelt dat mijn dochter veel last had van het doorkomen van haar tandjes en dat ik er honing op smeerde, waarop hij zei dat hij dat ook had gedaan bij zijn dochter. Sindsdien vroeg hij me altijd als we elkaar zagen hoe het met de tanden van mijn dochter ging,’ vertelt de verhuurder, ‘ook toen mijn dochter al veel ouder was. Ik antwoordde dan: maar allez, mijn dochter heeft al haar tanden al.’ In mijn verdere onderzoek zal ik nog horen dat B.M. mensen vaak vroeg naar hoe het met ‘de kids’ ging. De verhuurder: ‘Later besefte ik dat dat droevig is, want zijn eigen dochter zag hij al 22 jaar niet meer.’
Al sinds 2013 verhuurde hij een studio aan B.M., hij heeft altijd een goed gevoel bij hem gehad. B.M. beschrijft hij als volgt: een man van 73 jaar, lange grijze haren, zwarte cowboyboots, altijd dezelfde leren vest in zwart, wit en rood. Twee keer per jaar ging B.M. naar Tunesië, steeds naar hetzelfde hotel. ‘Dat kwam hij een maand tevoren vertellen, hier op kantoor,’ vertelt de verhuurder, ‘met een grote glimlach op zijn gezicht zei hij: als ik met het vliegtuig vertrek, zit ik een paar uur later in de zon op een terras.’
Mijn zoontje begint tegen te stribbelen, in de draagzak wil hij dat ik wandel, het stilstaan heeft hem lang genoeg geduurd. ‘Wat mij vooral treft,’ zegt de verhuurder wanneer ik op het punt sta te vertrekken, ‘is dat hij een kluizenaar blijkt te zijn, terwijl wij dat niet wisten. De gesprekken waren oppervlakkig, oké, hij hield duidelijk afstand, maar zou hij dat met iedereen hebben gedaan?’
Terug thuis bel ik zijn broer. In de summiere informatie die ik kreeg, staat dat B.M. weinig contact had met hem. Zijn vrouw, de schoonzus van B.M., neemt op en doet het woord, haar man luistert mee en voegt sporadisch iets toe. Het is vier jaar geleden dat ze hem zag, al belde hij wel op regelmatige basis. Drie maanden voordat B.M. naar Tunesië ging belde hij hen op om te zeggen dat hij weer geboekt had in hetzelfde hotel, om vervolgens twee dagen voordat hij effectief vertrok nogmaals te bellen: ‘Ik ben weg, hè.’ De schoonzus zucht: ‘Eigenlijk zagen we hem alleen maar bij overlijdens en erfenissen.’ Verder noemt ze hun contact niet erg warm, eerder oppervlakkig. In hun laatste gesprek beklaagde hij zich over de hitte in zijn studio. Het raakt me dat familiebanden door jarenlange afstand gereduceerd kunnen worden tot berichtgevingen: ‘ik ben drie weken weg’, ‘nonkel D. is dood’ of ‘het is warm’. Onder de kaalheid van de berichtgeving, maar weinig diepte of nabijheid. Rond zijn achttien jaar kwam B.M. samen met zijn broer te weten dat ze nog een zus hebben. Veel later duikt door stamboomonderzoek een halfzus op.
B.M. en zijn broer hadden een ongelukkige jeugd. Wanneer B.M vijf jaar oud is en zijn broer vier, worden ze naar het weeshuis Sint-Vincentius in Zelem gestuurd, dat centraal stond in de eerste aflevering van de documentaire De nonnen, over misbruik en andere wantoestanden door vrouwelijke geestelijken binnen de Belgische Kerk. Als zijn schoonzus B.M. na het zien van de documentaire belt, zegt hij dat hij de hele periode uit zijn geheugen heeft gewist. Zijn broer weet wel nog wat hij heeft zien gebeuren. Het was een zware tijd, daar houdt hij het bij. Wanneer B.M. 13 jaar is en zijn broer 12, gaan ze er weg en beginnen meteen met werken. ‘Kinderarbeid,’ snuift de schoonzus. Later gaat B.M. werken bij de liften van Otis en werkte daar tot aan zijn vroegpensioen op 56-jarige leeftijd.
Als ik hen vraag naar een beschrijving van B.M. zeggen ze dat hij een beetje is blijven hangen in de jaren ’75-’78. Hij ging graag naar het Hard Rock Café, zowel in Antwerpen als in Tunesië. Zoals de verhuurder al zei, ging hij daar elk jaar in mei en december naartoe. ‘Hij ging daar all-in gin-tonics drinken,’ zegt zijn schoonzus lachend, ‘dan kwam hij vijf kilo bij, die er weer af gingen tegen de tijd dat hij weer terug vertrok.’
‘Hij vertelde veel, maar zei niks. Bij elk telefoongesprek vroeg hij hoe het ging met de kids, ook al zag hij hen nooit,’ zegt de schoonzus. Toch bleven ze contact met hem opzoeken. Toen ze verhuisden, nodigden ze hem wel zes keer uit om op bezoek te komen. Ze vermoeden dat hij niet mee kon met de digitalisering, maar te trots was om dat toe te geven. Ook dachten ze dat hij een immense vriendengroep had, iets waar ze nu over twijfelen.
Via de verhuurder kom ik in contact met Irene, het is een Spaans telefoonnummer dus ik weet niet in welke taal ik het gesprek moet beginnen. Gelukkig begint zij meteen in het Nederlands. Na het weeshuis kwam B.M. bij haar moeder terecht en woonde bij haar in de Amerikalei. Ik vind het mooi dat ze haar moeder, die in 2025 op 92-jarige leeftijd overleed, nog steeds ‘mijn mama’ noemt. Voor Irene is B.M. een soort broer geweest. Ze is de eigenaar van verschillende panden, B.M. hielp haar met klusjes. B.M en Irene hadden regelmatig en goed contact.
Tijdens ons gesprek spreekt Irene snel en stokkerig, wat een bepaalde emotionaliteit verraadt. Ze kan het niet geloven dat hij zo plots is gestorven. Hij was toch niet ziek, herhaalt ze meermaals. Later stuurt ze me vanuit Tenerife berichtjes wanneer haar weer een herinnering te binnen schiet. Ook stuurt ze korte uitroepen: Lágrimas de tristeza. Tranen van verdriet.
Bij elk bezoek of telefoongesprek krijg ik een nieuw perspectief op B.M. Een weeshuis, het werken bij Otis liften, het krijgen van een kind, uit de ouderlijke macht gezet worden, twee keer per jaar naar Tunesië gaan, sporadische berichtgevingen naar familieleden, tot rust komen in een Hard Rock Café. Het zal het echte leven, hoe hij zijn leven beleefd heeft, niet benaderen, maar misschien wel de rand ervan. Iemand die misschien vaker alleen was dan de mensen om hem heen dachten. Iemand met trots, een lastig verleden en altijd zin in gin-tonic op een terras.
Op donderdag kom ik maar net op tijd met de fiets bij het crematorium. Ik stond bij de verkeerde ingang – een beginnersfout. Er zijn een zevental mensen, meer dan ik verwachtte. Allemaal zijn ze familieleden, veraf of dichtbij. Ook dichter Bart Stouten staat er al samen met zijn vriendin. Op een rustig tempo wandelen we naar de strooiweide. Het is midden op de dag, de felle zon maakt het broeierig. De medewerkers van de uitvaartonderneming zetten de urn op de zuil waar we rondom staan. In de afgelopen dagen heb ik een beeld van B.M. gekregen dat ook maar een perspectief is. Rondom de zuil staan mensen die ik sprak en mensen die ik niet sprak. Iedereen heeft eigen herinneringen aan en invullingen over B.M. In elk hoofd bevindt zich een ander beeld van de man die we uitgestrooid zien worden. Samen brengen we hem een laatste groet. Bart Stouten leest zijn gedicht:
Iets blijft achter wanneer het leven stilvalt,
een eerste nablauw dat nog rondhangt.
Niet alles wat verdwijnt is genadeloos weg.
Soms blijft een stem hangen tussen de bomen,
zoals de wind die zich nog even herinnert
hoe jouw naam ook alweer klonk.
Je hield van kinderen, hun prilwarme lach,
het wonder dat een nieuwe tand kon zijn.
‘Niet huilen!’ Je geloofde dat een beetje honing
de pijn verzachtte: oude huiswetenschap
die je geërfd had voor eigen gebruik,
troostkunde die je nooit verloor in de groei.
Draag de cowboyboots waarmee je geboren bent,
tricolore leren vest dat je nooit meer verving.
Bewaar in Tunesië je bedwelmende vrijheidsbries:
gin-tonics in de avond, zand dat zich niets aantrekt
van de zorgen die je ver van huis ontvoerde,
de woestijnrust die je slechts daar kon vinden.
Je woonde alleen, een kluizenaar in zijn Eden,
op zoek naar weggelegde tijd. Te ver van de wereld,
te dicht bij jezelf. Je bent nu eeuwig, draag je verleden
niet langer als een jas die nooit meer wilde passen.
Blijf liever het pienterdolle weeskind uit Zelem,
het kleine oorspronglicht dat nooit mag doven.
Een Spaanse vrouw zal je leren dat liefde
niet altijd luid is, soms gewoon een hand
op een schouder. Straks werk je tussen de kabels
van de engeltjes, hun motoren, liften die mensen
omhoog dragen zoals jij dat soms ook probeerde,
de stoere optilkracht waarop je fier was.
Wees niet bang.
Daar beneden zijn de tijden digitaal, je hoeft niet mee.
Proef een nacht vol klinkende noten: hard rock
die door de muren gaat, vakanties voor jouw zwijgen,
rituelen die niemand je kan afnemen, hier boven,
een eigen vrijheidslijn die je nooit hebt losgelaten.
Open je ogen, je bent er nog.
Vandaag zoeken wij je, niet in het stof
dat terugkeert naar de aarde, maar in het licht
dat achterblijft wanneer iemand echt geleefd heeft.
Wij zullen spreken over jou, niet om je vast te houden,
maar om je telkens opnieuw te ontmoeten
in een verhaal, een glimlach, een woekerstilte
die niemand ginnegappend hoeft te vullen,
een zacht nabestaan dat zich blijft tonen.
Als ergens een vogel opvliegt uit het bos,
zullen wij denken dat afscheid misschien
toch niet het einde is, maar een manier
waarop de liefde zonder lichaam
leert verder te leven.
Een van de allermooiste verslagen én een van de allermooiste gedichten van de hele reeks.