Mevrouw N.K. werd geboren op 16 mei 1945 in Brugge en overleed in het AZ Sint-Lucas ziekenhuis op 24 december 2025 in Brugge. Haar uitvaart vond plaats op 5 januari 2026 om 13u30 op de parkbegraafplaats van de Blauwe Toren in Brugge.
Het is de kortste dag van het jaar wanneer mevrouw N.K. kortademig wordt opgenomen in het ziekenhuis. Drie dagen later overlijdt ze. Maandag wordt ze begraven. Ik ontvang het bericht vrijdag, maar lees het pas zaterdag. Als ik in een lichte haast naar het woonzorgcentrum rijd, blijkt alles dicht. Dju. In de hal hangen levensgrote foto’s met grote, vage, anonieme Richter-achtige lichamen. In een hoek staan twee metalen vuilemmers, op hun glimmende voorhoofden stickers met rest en pmd. In een andere hoek zie ik twee rendieren, gemaakt uit verstrengelde takken en in het midden pronkt een gigantische kerstboom met wenskaarten. ‘dat ik de lotto mag winnen en mijn C4 indienen’, lees ik op een ervan. Verder niemand te zien, niets te horen behalve het geruis van de verwarming, ergens ver weg stemmen, gerommel met servies, liftdeuren die met hun nasale tonen aangeven dat ze ergens vertrekken of aankomen. Het heeft iets van een stationshal zonder passanten. Maar ik heb niets en maandag is de uitvaart. Terug thuis lees ik tot mijn opluchting dat het niet om volgende week, maar omwille van de kerstdrukte de week daarop gaat. Oef, dat geeft tijd.
De cafetaria was haar favoriete plek,
weten ze me te vertellen in het woonzorgcentrum
de Zeven Torentjes. Ze zat altijd
in de witte zetel achterin en was er als de kippen bij om te dansen,
te kussen, ja, ze hield van mannen. Maar ik ben geen totter,
zegt de barman, dus gaf ze me kushandjes. Ze was een lieve,
uitbundige vrouw, weliswaar met een gat in haar hand, daar durfde men
wel eens misbruik van te maken.
Mevrouw N.K. blijkt de
jongste uit een gezin van drie. Haar vader werkt als
spoorwegbediende, als hij bij een arbeidsongeluk een been verliest,
verhuist het gezin naar een kleine hoeve waar
alle kinderen moeten
meehelpen. Als ze 22 is, huwt ze.
Ze zal nog een keer huwen en twee keer scheiden. Over haar huwelijken
kom ik niets te weten, wel over een relatie met een truckchauffeur.
Ze reisde vaak met hem mee en ‘liet zo voor zich zorgen, wat ze
zelf nauwelijks kon, maar daarmee liet ze ook haar kinderen, twee
zonen uit haar eerste huwelijk, in de steek’.
Als in haar laatste jaren de verwarring
de kop opsteekt, ontglipt haar steeds meer dat ze naar haar ouders
wil, of dat ze ‘eten wil voor de kinderen’. Ze is erg gesteld op
haar verjaardag in mei, vermoedt dat het elke maand mei is en dat ze
elk jaar 64 wordt.
Rood
is haar kleur. De maatschappelijk assistente toont mij een foto van
mevrouw N.K. in een rood topje. Ze houdt een wit poedelachtig hondje
tegen de borst, dat net als zij behoedzaam in de lens kijkt. Vier
donkere ogen. Het hondje mocht niet mee in het woonzorgcentrum en
werd bij haar komst, zo’n vijf jaar geleden, geadopteerd. Dat
weerhield mevrouw N.K. er niet van om ‘zot van dieren’ te blijven.
Paarden, honden, vissen... Zijn het de dieren die haar terugvoeren
naar haar kindertijd? Heeft ze van hen de liefde geleerd toen haar
ouders te druk bezig waren met overleven?
Verder kom ik nog te weten dat ze als
wc-dame werkte in het stadion van club brugge en in een bepaalde
episode van haar leven omschreven werd als iemand met een ‘psychische
kwetsbaarheid’. Het belette haar alvast niet om zich geliefd te
maken in het woonzorgcentrum. Wij zullen haar missen, zegt de barman.
Tot nog toe is nog niemand in haar witte zetel gaan
zitten
Op de dag van de uitvaart werpen de
bomen hun langste schaduwen op witbesneeuwde perken. Er zijn een
tiental mensen aanwezig, waaronder personeel van het woonzorgcentrum,
een buurman en de burgemeester, die optrad als haar bewindvoerder.
Och, wat zat ze graag op de bus, zegt hij. Waar ging ze heen? Maakt
niet uit. Vaak naar Sluis. Met de hond. Ze kocht een ijsje voor hem.
Iemand heeft een roos bij. En op het ogenblik dat ik dit
schrijf vind ik het jammer dat ik heb gemist wanneer en waar de jonge
vrouw de roos heeft neergelegd. Wachten we nog iemand of zullen we
beginnen? vraagt de ceremoniemeester. Ik duikel mijn tekst op want
Delphine is ziek en kan er niet bij zijn. Haar woorden bloeien des te
meer:
Beste NK,
Je droeg graag rood
Het rood van woeste onstuimige gretige ongebreidelde tederheid
Het rood van Zuiderse dansen, lappen, borden, rokken,
Hakken, franjes, luiken, tuilen, ruikers, blouses, vlaggen, vlagen,
Verlangens, planten, kevers, amfibieën, lakens en fantasieën
Het rood moest opnieuw van jou worden:
Frivool, koket, hoopvol en zorgeloos
Exotisme, begeerte, extase en paradijs
Als kind had je het slachten meegemaakt: het tegenovergestelde van Eden
Erf, ploert, bijl, hak, haak, werk, zerk, dood
Geen dagdromen, geen erbarmen en geen sentimentaliteit.
De dieren waren niet goed, ze waren goederen
Ze kregen geen namen maar nummers
Getatoeëerde billen en geperforeerde oren, drek en doodsangst
Een cultus van fatalistische dorre deprimerende nuttigheid
Trekdier, lastdier, werpdier, zoogdier, geef melk dier, je kinderen zijn van ons dier,
Hier met die eieren dier, je vracht en vacht dier, je huid dier,
Graag je wol dier, je oren dier, je poten dier, je afval dier, je nieren dier
Je bent mijn prooi, dier
En word nu maar een verfijnde amuse-gueule op onze borden, beest.
Maar jij, NK, jij zag meer
Jij werd hun ziel, wijsheid, sluwheid, geestigheid en genade gewaar
Jij keek in de fonkelende slimme troostrijke blikken van:
De ruwe wijze varkens, de argeloze hunkerende kalveren,
De montere mystieke onvolprezen lammeren, de fiere stoïsche kwetsbare paarden,
En het dappere nieuwsgierige onvoorspelbare pluimvee.
Hun bloed was een poel
Eerst zwart, daarna blauw, dan zuurstofarm rood
En tot slot bruin, de dood werd een alledaagse brij
Bloed was alledaagser dan stront
Minder troostrijk, minder warm, en minder boeiend
Waarom moest er op de boerderij zoveel gebloed worden?
En waarom werd er geen traan geplengd wanneer jouw favoriete dieren
Panisch, tegenstribbelend, krijsend en kwelend werden geëxecuteerd?
In de cafetaria van het woonzorgcentrum zat je op een troon
Elke dag jarig
Handkusjes voor iedereen
Wat was je vrijgevig!
Ooit zat je naast een tedere zorgzame hoffelijke winderige truckchauffeur
Je werd zijn tengere gehavende argwanende prinses
Hij vermaakte je, jij herstelde zijn gebroken hart
Hij lette op de weg en jij vertelde hem wat je zag:
Een oude rottweiler sabbelt op een zeemeermin,
Een ouwelijk kind kijkt sip toe
Waslijnen, ruches, ladders
Hoepels, trossen, touwen, zwepen, lasso’s
Trampolines, rolschaatsen, emmers en…
Opnieuw touwen, altijd maar touwen…
Zwiepende onheilspellende touwen met knopen, kluwens
Knopen, de mens en zijn haast onontwarbare knopen!
Kooien, de mens en zijn amper bewoonbare kooien!
De mens en zijn vieze smerige wens
Om de dieren in kooien, hokken, stallen, koten en kennels te proppen
Die wens was jou vreemd
Jij hebt nooit een dier gekoeioneerd
En daar in die vrachtwagen was je vrij als een fluiteend.
De passagierszetel werd je eerste troon, hemels en prozaïsch
De mistroostige tankstations konden gerust doorgaan voor verre
Idyllische oorden
Het paradijs werd door jou in elkaar geflanst
Aan de hand van smakkende zoenen, mierzoete drankjes, pluchen lama’s,
Efficiënte hortende hartelijkheid en altijd opnieuw:
De vrijgevigheid
Verspil dier
Kwistig dier
Grillig dier
Grimmig dier
Lieftallig dier
Vier feest dier, feestbeest.
Warm molletje in de aarde
De hardvochtigheid, het geweld en het verraad
Van de slachtende sissende onbetrouwbare medemensen
Kunnen jou nooit meer aantasten
Daar op je troon geflankeerd door aanbiddelijke uitbundige keffende mormeltjes,
Lome serene sympathieke okapi’s, komische argeloze minzame bevers, vlijtige schrandere torren
En zangerige verzaligde kangoeroes ben je veilig
Rust dier, slaap dier, droom dier
Droomdier.
Daarna dankt de burgemeester het personeel van het woonzorgcentrum. Hij zegt dat mevrouw N.K het erg moeilijk had om haar woonst te verlaten maar dat ze een warme thuis vond in het woonzorgcentrum. ‘Ze vloog me rond de nek als ik op bezoek kwam’. ‘Maar ze kon ook kwaad op je zijn, hoor’ voegt de buurman er schertsend aan toe. Dan dankt de burgemeester ook de buurman ‘voor al die keren dat ze haar sleutel vergat of op de bus zat en de weg naar huis niet terug vond.’
Nadat iedereen even zijn hand op de urne heeft gelegd, neemt de
ceremoniemeester de urne mee en strooit de as uit over de witte vlakte.
Grijs op wit. Er wordt nog wat uitgewisseld en afscheid genomen. Waar
is onze krans, vraagt iemand, we hadden toch een krans besteld?
Vaarwel
mevrouw K, ditmaal rijd je niet verloren.
Zo levend dichtbij, deze gulle dame, door jullie gul herdacht. Mooi!