Meneer M.P. werd geboren op 10 februari 1954 in Antwerpen. Hij overleed op 9 februari 2026 in zijn assistentiewoning van Hof ter Beke in Antwerpen. De uitvaart vond plaats op maandag 16 februari om 14u00 op strooiweide De Blauwe Regen op het Schoonselhof.
Het is de verjaardag van meneer M.P. wanneer ik de cafetaria van het dienstencentrum binnenstap. Gisteren overleed hij hier in zijn assistentiewoning. Meneer P. is net geen tweeënzeventig geworden.
Deze middag is het gezellig druk in de cafetaria. Er worden cola’s besteld en pintjes getapt. Overal hangen rode hartjes, vrolijke versiering voor Valentijnsdag. Ik tref een personeelslid die me naar het bureel leidt en blijkbaar kom ik op het juiste moment: over 8 minuten is er een teamvergadering waarin het overlijden van M.P. op de agenda staat. Ik neem nog even plaats terwijl de mevrouw nog gauw een uitgavenlijst controleert. Aan de muur hangt een poster die district Antwerpen heeft verspreid met een gedicht van Alice Nahon met de titel Aan een Zwerver I
'k Heb u zonder doel zien dolen
Door de nachtelijke steê,
Waar de straten staan als holen
Van verborgen wee...
Waar mizerie-stemmen schreien
Bij een flauwen ‘tingel-tang’...;
Waar de vrouwen staan te vleien
Met geverfde wang.
Zal uw weedom daar verzwinden,
Gij, van hooger schoon bewust?
Zwerver, hebt ge geen beminde.
Die u 's avonds kust?
Meneer P. was jarenlang dakloos. Hij leefde op de Groenplaats waar iedereen hem kende. 25 jaar geleden kwam hij in een appartementje te wonen in Hof ter Beke. Ze kennen hem hier dus al heel lang.
“Hij at heel veel madeleinekes.”
“Soms alleen maar.”
“Hij dronk altijd Leffe.”
“Ja Leffe vroeger, maar de laatste jaren was het Palm.”
Ik zit met zeker twintig personeelsleden aan een grote tafel. De anekdotes en herinneringen aan meneer P. vliegen over en weer.
“Muntjes altijd in het bakske.”
“En die grote pot met Dafalgan. Hij had geen pijn maar wilde die wel allemaal bewaren”
“O, en die pot choco die hij dan at met een lepel…”
Meneer P. moest altijd alles hebben wat in promotie was. Als de bakken bier 1+1 waren dan leek zijn kamer wel een brouwerij. Twee keer per week stond er kuisgerief(altijd wel iets in promotie) en keukenrol op zijn boodschappenlijstje. Daar waren de loodgieters niet zo blij mee. Als de boodschappen gebracht werden, keek meneer altijd meteen of alles van zijn lijstje was meegenomen. Hij hield zijn hand op voor het wisselgeld dat hij dan meteen in het bakje deed.
In de anekdotes die ze over meneer P. oprakelen, krijg ik de indruk dat ze hem echt graag zagen. Ze vertellen me ook dat ze hem altijd veel hebben geholpen. Hij was een echte eenzaat. Hij zat dus nooit in de cafetaria, had geen contact met andere bewoners. Behalve dan met één: A. Zij had hier een serviceflat en werd de liefde van zijn leven.
Het was de eerste keer dat meneer P. liefde en genegenheid kreeg. Jarenlang hebben zij goed voor elkaar gezorgd. A. was heel wat ouder. Toen zij moest worden overgeplaatst naar een woonzorgcentrum bezocht meneer P. haar iedere dag.
“Dat is toch liefde he…”
Over de tijd voordat meneer P. bij hen kwam wonen, weten ze weinig. De laatste jaren sprak hij ook niet meer echt, hij mompelde eerder. Er was weleens wat geruzie met meneer, omdat hij alles bewaarde en niet altijd op de juiste plaats. Hij verstopte overal eten omdat hij bang was dat ze het zouden weggooien. Iemand aan tafel vermoedt dat meneer waarschijnlijk zo’n bewaarder was omdat hij lang op straat leefde en daar niets had. Ze moesten ook geregeld met hem door de enorme stapel gazetten die hij bewaarde. Als het aan meneer lag werd er nooit iets weggedaan.
Er wordt verder vergaderd, terwijl ik onder begeleiding van een van de medewerkers nog even gauw een blik in de woning van meneer P. mag werpen. Ik zie de relaxzetel voor de tv. Toen ik zojuist aan tafel vroeg of meneer hobby’s had of iets graag keek, werd het met luid gelach beantwoord. Dat wilde ze liever niet delen, want meneer keek er “speciale kanalen”. Hij zette die altijd netjes af als er iemand binnenkwam. Dat ging meestal goed. Naast zijn tv staat een meer dan levensgroot imposant schilderij van een vrouw. De mevrouw weet niet hoe meneer P. daaraan kwam. Blijkbaar verhuisde het mee naar alle plekken binnen Hof ter Beke waar hij woonde. Onderaan zie ik er nog een prijssticker op, misschien had hij het eens bij een kringwinkel gekocht. In een hoek staat een kleine boekenkast waarin onder andere Reizen zonder John van Geert Mak en ook boek over Duitsland staan. Op tafel liggen verpakkingen van slaapmedicatie en een klassieker van Agatha Christie: Moord op de Oriënt-Express. Op zo’n manier gedrapeerd alsof hij dat boek nog aan het lezen was.
Op de wasmand zit een slot. De mevrouw vertelt dat het nodig was omdat hij anders al zijn vuile kleding op andere plaatsen terug wegstak. Als laatst toont ze me een wit kader met daar bovenop letters: Laugh. Ik zie zijn A. en in de hoek van het kader een pasfoto van meneer P. Ze zouden die mee willen nemen naar de uitvaart. Een aantal mensen zouden die wel willen bijwonen als dat mogelijk is met het werkrooster.
De mevrouw gaat weer terug naar de vergadering. Ik bedank haar om tijd te maken en ga richting huis. Op de hoek van de straat waar ik mijn fiets geparkeerd heb, is een grote muurtekening van J.M.H. Berckmans. Ik fiets er vaak langs. Berckmans was net als meneer P. jarenlang een van de bewoners van Hof ter Beke. “Wie heeft de tranen uitgevonden, iemand die het opkroppen verdomde?” staat er bij het portret geschreven. Een citaat waar meneer P. zich misschien na het overlijden van zijn geliefde A. in zou kunnen vinden.
Op maandag 16 februari verzamelen we om 14u00 op de afgesproken parking van het Schoonselhof. Dichter van dienst Max Temmerman staat al te wachten als ik arriveer op mijn fiets. Iets verderop staat nog een kring van mensen te wachten. Enkelen daarvan herken ik van mijn bezoek aan Hof ter Beke, maar er zijn ook voor mij een aantal nieuwe gezichten. Nog niet eerder hebben we een eenzame uitvaart meegemaakt die zo druk bezocht is. In een stoet van tien mensen stappen we richting de strooiweide.
Al de aanwezigen zijn mensen die meneer P. verzorgd en geholpen hebben. Ik ontmoet ook Guy en zijn madammeke Ann, zo zegt ze dat ik haar mag omschrijven. Zelf werkte ze jarenlang als verpleger in een rusthuis. Ze vertelt dat ze veel eenzame uitvaarten heeft meegemaakt, dat ze er speciaal een dag verlof voor nam om er aanwezig te kunnen zijn. Ze schreef altijd teksten voor hen. Ze is ontroerd dat wij dit werk doen en ik bedank haar voor haar aanwezigheid en om ook hier nu te zijn. Ze vertelt me dat haar partner Guy meneer P. heel lang gekend heeft, meer dan 25 jaar. Guy heeft ervoor gezorgd dat meneer P. van de Groenplaats in Hof ter Beke kon komen wonen.
Een van de aanwezigen heeft een bosje witte rozen meegebracht die ze uitdeelt. Het zijn er precies tien, precies evenveel als de kring die we samen rond de urne vormen.
Het is bijzonder hoe we hier met zovelen staan. Ook de voorganger benadrukt dat de eerste kring rondom meneer P. misschien leeg is, maar dat de tweede kring heel sterk aanwezig is. Wanneer ik het woord krijg vertel ik dat we hier ook namens A. staan. Een van de aanwezigen heeft de foto meegebracht. Van het kader zijn door het vervoeren enkele letters van Laugh afgevallen, enkel de A blijft over. Van zijn A.
Ik geef het woord door aan Guy, die meneer P. van alle aanwezigen het langst heeft gekend.
“M. was M.“
Via Guy kom ik nog wat meer te weten over meneer P. die door iedereen vooral M. werd genoemd. Voordat hij in Hof ter Beke kwam wonen, was hij degene in Antwerpen die het langste dakloos was. Iedereen kende M. Hij fietste rond met emmers met steentjes aan zijn stuur. Daar rammelde hij mee en de mensen gooiden er een frank in. Hij ging ook de cafés af om halfvolle glazen bier leeg te drinken. Soms waren die glazen van niemand meer, soms nog wel en dat botste dan wel eens, vertelt Guy met een glimlach. M. heeft nooit een vlieg kwaad gedaan. Zijn drankgebruik hebben ze redelijk goed gekregen. M. ging met een wekker op café die ieder uur afging wanneer hij weer een pintje kon drinken. Guy besluit dat M. toch een propere meneer is geworden, en zo beaamt iedereen.
Wanneer Max het woord krijgt, benadrukt hij nog eens hoe bijzonder het is dat er zo veel mensen aanwezig zijn. Hij dicht al jaren voor De Eenzame Uitvaart, soms komt er een enkeling opdagen, maar dit heeft hij nog nooit meegemaakt. Hij zegt dat als het voor iedereen oke is hij toch zijn gedicht zal lezen. Hij schreef het vanuit zijn interpretatie voor meneer P., en dat het bij een paar zinnen, niet meer helemaal juist is.
We kwamen veel over u te weten en tegelijk
bijna niets: dat het wolkendek uw dak was
toen op de Groenplaats verbleef. Later,
in een flat, warmde u zich aan de liefde
van uw leven. We noemen haar A.
Toen zij stierf, ruilde u praten in voor mompelen,
ieder zijn manier van rouw en verdriet.
Voorts de stroom aan charmante trivialiteiten
die meer dan principes of opvattingen
doeltreffend een leven kleuren. De madeleines
die u graag at, de Leffes en later de Palm.
U hield graag bij, naar het schijnt.
Nog maar enkele weken geleden
stond u toe dat men uw baard scheerde -
nooit eerder had u zo jong geleken.
Het schilderij op uw kamer. De boekenwaaier
verspreid over de tafel. We weten veel over uw leven,
maar tegelijk ook bijna niets. ‘Spaar een leven
en je redt de mensheid’ is een regel
van eeuwen geleden. Wij staan hier vandaag
niet met velen maar we kunnen dit compenseren
door in onze rechtsboeken de omgekeerde regel
te introduceren: ‘Iedereen sterft, telkens
één iemand heengaat.’ Laten we u eren.
Er worden nog wat laatste wensen gedeeld.
“Dat M. op zoek mag gaan naar zijn A.”
“Dat er een pintje voor hem klaar staat.”
“En een rijstepap met een gouden lepel.”
Als de as is uitgestrooid, wordt de foto van A. erbij gelegd. Een voor een leggen we er een roos neer. Een kring van witte rozen.
Vandaag stonden we hier voor een eenzame uitvaart wél met velen.
Hoewel we eerder tot de tweede kring behoren, is die wel stevig en genereus. Ik ben onder de indruk van de zorgzaamheid. Hoe de (ex-)medewerkers van Hof ter Beke het verhaal van meneer P. 25 jaar geleden een andere wending hebben kunnen geven.
De mensen die aanwezig konden zijn, en ook de andere die op het moment van de uitvaart aan het werk waren, hebben meneer P. niet alleen een dak boven zijn hoofd, maar ook een goed thuis gegeven waar hij de liefde van zijn leven mocht ontmoeten.
Wie een leven spaart, redt de mensheid.