Meneer M.V.d.E. werd geboren in Lier op 7 juni 1965. Hij is overleden in Mortsel in Zorggroep Multiversum op 28 april 2025. De uitvaart met asuitstrooiing vond plaats op dinsdag 20 mei 2025 om 11:30 op strooiweide De Wingerd, begraafplaats ’t Schoonselhof in Antwerpen.
Als ik bel naar Zorggroep Multiversum verneem ik dat M. amper een tiental dagen bij hen opgenomen was. Te kort dag om iets over de overledene te kunnen vertellen, legt mijn gesprekspartner uit, maar ze bezorgt me het telefoonnummer van het woonzorgcentrum in de Napelsstraat, op ’t Eilandje, zoals we de wijk noemen, waar M. twaalf jaar gewoond heeft.
‘Wij hadden hem graag’, zegt een bijzonder lieve dame van het wzc aan de telefoon. ‘We moesten hem wel af en toe kordaat aanpakken,’ gaat ze verder. Maar in wezen, zo begrijp ik, was hij een lieve man, die heel behulpzaam kon zijn. Zo deed hij wel eens boodschappen voor oudere medebewoners die niet zo mobiel waren of hielp hij het personeel met een klusje.
Al jaren leed M. aan depressies. Denk daarbij ook nog een dubbele verslavingsproblematiek en het wordt wel erg moeilijk. Zo lang M.’s vader leefde, ging het nog. Maar vorig jaar stierf de toen al hoogbejaarde man en het ging sindsdien met M. snel achteruit.
Meneer V.d.E. had zelf ook een zoon, zo verneem ik, wanneer ik doorverbonden word met een collega die M. langer heeft gekend. Dat hij een zoon had, was hij maar pas te weten gekomen toen de jongeman al als volwassene plots aan zijn deur stond. Daarna hebben ze elkaar nooit meer teruggezien.
Betreurenswaardig vooral, zegt de zorgkundige, was het gebrek aan zelfinzicht. M. kon koppig zijn. Hoe dan ook, tegen het einde was hij werkelijk levensmoe. De overplaatsing naar Multiversum was een poging om alsnog enig soelaas te bieden. Het heeft jammer genoeg niet mogen baten. In juni zou hij zestig geworden zijn.
Dinsdagmiddag 20 mei is zonovergoten. Al dagen is het zeer warm, over de droogte wordt veel gepalaverd in de krant en op de radio. Als ik arriveer aan parking 2 zie ik Max onder de bomen in de schaduw staan. Max vertelt dat hij bij het schrijven van het gedicht het intrieste leven van meneer V.d. E. en wat we er ook ‘maar’ over weten, wat links heeft laten liggen. Ik heb een taal gezocht die moed doet scheppen, legt hij uit.
Niet veel later komt de lichtgrijze corbillard aangereden. Anthony en Mieke van het uitvaartcentrum zijn vandaag van dienst. Voor Mieke is het haar eerste eenzame uitvaart.
De strooiweide De Wingerd ligt te blakeren in de zon. Het gras is net gemaaid, oogt frisgroen en vredig, er ligt één witte rozenkrans zowat in het midden. Op het moment dat we de urnenzuil naderen, zie ik een wat oudere man onder de luifel op een bank zitten. Ik wil hem nog vragen of hij voor M. is gekomen, maar hij is al weg voor ik hem de vraag kan stellen. Misschien heeft hij de witte rozenkrans in het midden van de weide neergelegd.
Na een schets van mijn gesprekken met de zorgkundigen van het wzc, vraag ik aan Max om het gedicht voor te dragen dat hij ter ere van de overledene geschreven heeft. En ook om moed te scheppen, zoals hij eerder al aankondigde:
Wie Napels ziet, die dompelt zich onder
in zoveel schoonheid, dat hij er de rest
van zijn leven op kan teren. Niets hoeft nog,
zo’n mens heeft alleen nog mogelijkheid
in het verschiet. Napels zien en sterven, Goethe
schreef het eeuwen geleden, maar blijft niet
het dromen van schoonheid ook vandaag de olie
waarop we met z’n allen draaien? We weten
weinig over u, behalve dat u in de Napelsstraat
woonde, in de bocht van de Schelde - dat staat
als een paal boven water. U zag dagelijks
de botenparade van aankomend en vertrekkend
avontuur. De lichtjes van de petrochemie
die vanuit de juiste hoek bekeken elke sterrenhemel
meedogenloos doen verbleken.
Krijsende meeuwen hielden u gezelschap
en soms leek er in de lucht zout te hangen,
alsof de wereld zelf poolshoogte kwam nemen.
U stelde gerust, dat alles goed zou komen…
Zie ons hier staan. We zijn tot hier gekomen
om samen met u in die woorden te geloven.
Na de voordracht lijkt het alsof Anthony, Mieke en ik tegelijk knikken, dankbaar voor de mooie regels die we net mochten horen. We houden een minuut stilte.
Tijdens de uitstrooiing is geen muziek voorzien maar de vele vogels om ons heen twinkelieren en in de verte klinkt een vink die suskewiet zingt. Ik voel een aangenaam briesje langs mijn hoofd en ver genoeg ruist de autosnelweg om te denken aan de zee. Tot slot vraagt Anthony om samen aan de rand van de weide te gaan staan. Waar we samen en tegelijk een laatste keer buigen voor de overledene.
‘Tot volgende week’, zeggen we. Er staan immers twee eenzame uitvaarten op de planning.
Bij thuiskomst zie ik in de keuken een vrouwtjesmerel zitten, een merelin. De tuindeur was blijven openstaan. Ze wipt en botst een paar keer tegen het keukenraam aan. Het duurt even voor ze de weg naar buiten terugvindt.
Is dit gedicht nog wel Poëzie ?