Mevrouw G.P. werd geboren in Blankenberge op 27 juli 1944 en overleed in het Woonzorgcentrum De Vliedberg in Brugge op 19 juli 2026. Haar uitvaart vond plaats op 31 juli 2026 om 14u op de parkbegraafplaats van de Blauwe Toren in Brugge.
G. werd in september vorig jaar opgenomen in De Vliedberg en overleed er tien maanden later. De verantwoordelijke van het woonzorgcentrum is de hele dag druk doende en in overleg en kan mij pas een dag later telefonisch te woord staan. Een vliedberg, ik zoek het op omdat ik nog geen andere aanknopingspunten heb, is een kunstmatige heuvel, een aarden wal, van vijf à twaalf meter hoog, opgetrokken om er een mottekasteel op te bouwen, de middeleeuwse voorloper van het waterkasteel. Het is een strategische plaats waar je je veilig kunt voelen in een vlak land. De website van het woonzorgcentrum laat een modern, lichtrijk gebouw zien maar geen heuvel. De volgende dag kom ik te weten dat G. in De Vliedberg opgenomen werd nadat haar echtgenoot, tevens haar mantelzorger, onverwachts overleed. Haar dementie was al vergevorderd. Ze was, al dan niet achtereenvolgens, haar dochter verloren, haar herinneringen, haar geheugen, haar verleden, haar man. Er was bovendien geen contact meer met haar enige kleinkind, het laatste dunne draadje dat haar nog verbond met haar vroegere leven. Waarom, wanneer en hoe, die vragen blijven onbeantwoord. We moeten het stellen met het nuchtere feit dat ze in Zeebrugge heeft gewoond en in Blankenberge geboren is, een vrouw van de zee dus. ‘Wij weten eigenlijk ook niet veel,’ verontschuldigt de verantwoordelijke zich. Later op de dag krijg ik echter nog een telefoon met zaken die een verzorgende van de thuiszorg zich herinnert. Dat G. en haar man, toen ze nog reisden, vaak naar de Ardennen gingen. Dat ze hield van zoetigheden. Dat ze twee Mechelse herders heeft gehad en een zwarte kat die bij haar in bed sliep. Die dieren hebben haar lichaam misschien herinnerd aan de kussen, de strelingen, de koosnaampjes, de warmte en geborgenheid die ze ooit moet hebben gegeven en gekregen. Het is niet omdat er niet veel herinnerd wordt, dat er niet meer is geweest. Toen, daarom en met deze informatie schreef Frederik zijn gedicht voor G.
Je had geen grip meer,
de werkelijkheid ontglipte je.
Je brein was gebroken,
je was het token kwijt
dat je toegang gaf
tot de realiteit.
Ooit hield je ervan te verdwalen
maar later werd het een nachtmerrie
en bevond je je op een voortrazende nachttrein
waarop je de slaap niet kon vatten.
Het was een bron van onrust.
Het was aartsmoeilijk
de herinneringen levend te houden,
aan de zwarte kat
en de beschermende herders,
aan het jezelf verwennen
met zoete dingen,
reizen naar de Ardennen.
Nu je bent weggegleden in een groter geheel
-een allesbegrijpende ruimte-
zal alles helder voor je staan,
zul je niet langer worstelen met de taal,
zal de ziekte niet meer aan de haal gaan
met je woorden, je zijn, je bestaan.
Op de uitvaart waren er twee vrienden opgedaagd die het overlijden van G. vernamen toen ze haar een bezoek wilden brengen in De Vliedberg. Zij wezen de precieze plaats voor de uitstrooiing aan: daar waar de man van G. tien maanden eerder ook was uitgestrooid. Zo kwamen man en vrouw weer samen en bleek het leven van G. toch iets minder eenzaam te zijn geweest dan wij vreesden. Deze vrienden hadden namelijk aan de man beloofd om naar zijn vrouw om te kijken in geval er met hem iets zou gebeuren. En zo geschiedde.