Meneer I.D.W. werd geboren in Wilrijk op 5 augustus 1953. Hij is overleden in het ZAS Sint-Augustinus in Wilrijk op 26 december 2025. De uitstrooiing van de as vond plaats op dinsdag 13 januari 2026 om 15:00 op de strooiweide De herder van begraafplaats ’t Schoonselhof in Antwerpen. Dichter van dienst was Peter Theunynck.
Zondagvoormiddag 11 januari. Ik zit aan tafel bij de koffie met een verpleegkundige en twee zorgkundigen van het woonzorgcentrum Sint-Anna in Berchem. Meneer D.W. blijkt hier in het wzc vanaf zijn vijfenzestigste een kamer gehad te hebben. Samen met zijn vriend G.N. werd hij als dakloze zowat acht jaar geleden in de open afdeling opgenomen. Dat hij een stille en kwetsbare man was, wordt me verteld.
De verpleegkundige onderstreept hoe weinig ze kunnen vertellen over meneer D.W. Ze is tegelijk ook verbolgen over het feit dat het wzc pas heel laat van het ziekenhuis heeft vernomen dat meneer D.W. gestorven was. Er moet iets misgelopen zijn in de communicatie daarover. Hoe dan ook, de verpleegkundige belt iemand van de administratie van het wzc om te horen waar ze het dossier van meneer D.W. nog kan vinden. Intussen brengt een collega me naar de kamer van de vriend van meneer D.W.
De vriend zit tv te kijken in een comfortabele zetel. Hij vindt het goed als ik even bij hem kom zitten. Hij vertelt me dat hij samen met I.D.W. vaak op café ging, naar ‘ ’t Koetsierke’, in de buurt van het station. Of hij me iets kan vertellen over meneer D.W., zijn karakter, hobby’s, liefdes? Hij glimlacht even bij dat laatste. Ook de vriend, zo merk ik, is een man van weinig woorden. Ik nodig hem uit voor de uitvaart. Hij kijkt me aan, schudt dan zijn hoofd.
Net wanneer ik afscheid wil nemen, komt de verpleegkundige binnen. Ze heeft het dossier gevonden en heeft een print gemaakt van wat meneer D.W. verteld heeft bij opname in het wzc.
En ik lees dat er geen familie is. Dat I.D.W. als jongetje van drie toevertrouwd wordt aan een pleeggezin omdat zijn moeder, als psychiatrische patiënte, niet voor hem kan zorgen. Dat hij van jongs af gefascineerd is door auto’s. Ik begrijp dat hij voor mecanicien leert, en dat hij als mecanicien ook werkt. Dat hij een twaalftal jaren later dat werk verliest en opgenomen wordt in de psychiatrische kliniek in Duffel. Dat hij meerdere keren opgenomen is, Dat hij lijdt aan depressies en angstaanvallen. Dat hij haast een heel leven geworsteld heeft met alcohol om zijn gevoelens van angst en depressie te onderdrukken. Een rondzwervend bestaan wordt afgewisseld met opnames in opvangcentra (De Plataan, De Passant, De Biekorf). Hij wordt opgepakt voor dronkenschap in het openbaar. Hij wordt ’s nachts als dakloze in dronken toestand overvallen, meerdere keren. Een tijdje lijkt het beter te gaan, samenlevend met een vrouw in een sociale woning in Hoboken. Maar ook zij kampt met een alcoholprobleem. Zij zet hem uit de woning. In het wzc laat hij zich wel eens ontvallen dat hij graag zo’n modelbouw auto met afstandsbediening had gehad. Ooit moet hij gereden hebben met een Porsche. En dat hij nooit naar buiten gaat omdat hij bang is te hervallen waardoor hij zijn plaats in het wzc zou kwijtspelen.
Het is winter. Sneeuw hebben we gehad, nu is de lucht helder, droog en koud. Kale bomen, dikke jassen. Klokslag 15:00 vertrekt het kleine gevolg van vier achter de corbillard. De voorganger, de dichter, die zijn echtgenote heeft meegebracht, en ikzelf, we begeven ons naar strooiweide De herder. Het is de oudste en de mooiste strooiweide van ’t Schoonselhof.
Bij aankomst zie ik veel bloemen en kransen. Een bloemenweide haast. Een mooie plek voor meneer D.W. . Ik leg mijn roos op de urne die intussen op de urnezuil is neergezet. De voorganger verwelkomt ons waarop ik kort vertel over mijn bezoek aan het wzc en dat ik de mensen die me te woord hebben gestaan dankbaar ben voor hun inzet en voor de goede zorgen voor de overledene.
Peter draagt zijn gedicht voor:
MENEER DE SOMER
Voor I.D.W. 1953-2025
Vergeet ze maar voorgoed, meneer De Somer
Die eindeloze nachten
op een bed van klam karton
dat de kou niet uit je botten krijgt
Die havens waar je met lijf en leden
tijdelijk kon binnenvaren: De Passant
De Koetsier, De Plataan, De Alexiaan
Dat goddelijke vocht, dat vocht en vocht
en vocht, maar toch nooit iets vermocht
tegen je monsters in het donker
Die Aldi-zakken vol lakens van moord
en doodslag die je ’s ochtends weer
dichtvouwde, man van weinig woorden
Wentel je nog even in de warmte
van je laatste statie, de kamer naast
je maat, kijk daar nog even uit het raam
Het heeft gesneeuwd: de hemel
heeft zijn schoonste dekbed
uitgespreid waaronder jij voorgoed
Je ijstijd is voorbij, je wachttijd
zit erop. Het ogenblik is aangebroken
om in een Porsche rond te rijden
De horizon ligt voor je open
De zon is zinderend van de partij
Druk op het gaspedaal, meneer De Somer
Het moet gezegd, bijzonder gevatte en bovendien troostrijke woorden.
Dan geeft de voorganger teken aan haar collega. De as wordt verstrooid, dichtbij het beeld van De herder. De roos krijgt ook daar haar plaats. De voorganger sluit af. We schudden elkaar de hand. Hopend tot niet al te snel.
Peter, zijn vrouw en ik wandelen tezamen naar de uitgang en wisselen nog wat kleinigheden uit. Later, wanneer ik met mijn auto voor het stoplicht sta, zie ik Peter en zijn echtgenote fietsend, al verder dan ik. Zo gaat dat na een uitvaart, ieder weer op de eigen weg, op eigen tempo, verder het eigen leven in.
Beste schrijvers, ik lees jullie gedichten aan studenten sociaal werk. Jullie omschrijven de binnenkant van eenzaamheid en armoede en de buitenkant van kleine gebaren van grootse aanwezigheid.
Bedankt om empathie via poëzie vorm te geven .