Meneer R.V.H. werd geboren op 29 juli 1938 te Antwerpen. Hij overleed op 6 maart 2026 in AZ Monica. De asverstrooiing vond plaats op donderdag 23 april 2026 om 11u00 op het Schoonselhof.
Op weg naar het Schoonselhof word ik voortdurend voorbijgestoken door elektrische fietsen. Zelf ben ik de ‘analoge’ Oxford die ik kocht toen ik pas in Antwerpen woonde nog steeds niet ontgroeid. Het geeft me de tijd om rond te kijken - de volkstuintjes aan de Brialmontsite, de pantsertank tegenover Antwerp Expo, het vele groen tussen Wilrijk en de Hobokense rand. Ondertussen fantaseer ik over de vele levens die R.V.H. zou hebben kunnen geleid: de wielersporter-op-jaren, de eenzame professor, de reiziger misschien die zo van de zon hield dat hij er een kwalijke ziekte aan overhield? De levens die je fantaseert, zijn soms zoveel boeiender dan de levens die je kent of die je beleeft. En ondertussen dan die dochter, die hij ergens moet zijn kwijtgeraakt. Merkwaardig, denk ik, die zelf enkele dagen geleden met een sterfgeval in mijn omgeving werd geconfronteerd, dat de ene persoon hardnekkig wordt gezocht, wordt opgezocht door familie, vrienden, dat er zich een net van samenhang rond hem spant terwijl bij de andere het noodlot toeslaat terwijl er haast niemand toekijkt.
Behalve de mensen van het woonzorgcentrum dan die, een beetje boos, de telefoon opnamen. Meneer R.V.H. was nu toch al een tijdje overleden. En het was toch allemaal wel tamelijk onverwacht gebeurd. De verzorger die ik aan de lijn heb, zucht diep. Of hij iets over meneer kan vertellen? Dan gaat het over zijn val, zo’n tiental jaar geleden, en hoe die geleid heeft tot de amputatie van een been. Of meneer ziek was geweest? ‘Eigenlijk was meneer R.V.H. heel de tijd ziek. Er was dat been, maar meneer had ook huidkanker…’ Uit ons gesprek komt het beeld van een man die nogal gelaten op weg was naar zijn levenseinde, een weg die uiteindelijk toch een heel aantal jaren duurde. De verzorger spreekt vol liefde en respect, maar zit duidelijk ook een beetje verveeld met de hele situatie. Hoe hij is gestorven? Terwijl ik de woorden hoor rollen, stel ik me dat moment voor, dat voor het hele rusthuis zo traumatiserend moet zijn geweest. Een verkeerde slik, een hap. ‘Ach, wij maken wel wat mee’, zucht hij. ‘Verder weten we weinig, bijna niets van meneer. Dat hij van voetbal hield, en van wielrennen. Hij was nogal op zichzelf, met de andere bewoners legde hij nauwelijks contact.’ Daar moeten we het dan maar mee doen.
Intussen ben ik voorbij de ingang gefietst. Dat komt ervan, van al dat gefantaseer. Ik maak rechtsomkeert en ga op mijn vertrouwde bankje zitten voor het crematorium, vol in de zon. Een paar minuten later komt Peter al aangefietst, ook op een Oxford trouwens. Terwijl we elkaar hartelijk begroeten, komt vanop de parking een groepje op ons af. Het lijkt wel een film. ‘Voor welke uitvaart komen jullie?’ vraagt één van de dames. Het blijkt de dochter van R.V.H. te zijn, samen met haar man, haar stiefzus en twee jongeren. R.V.H. had zelfs nog kleinkinderen. Wanneer ze haar verhaal vertelt, word ik een beetje triest. ‘Het is fijn dat u er bent’, zeg ik bedeesd. De dame van het uitvaartcentrum feliciteert haar. ‘Het is goed dat u deze kans neemt’, zegt ze, ‘zo kan u dit verhaal afronden, ook voor uzelf.’
In groep gaan we naar de strooiweide voor een kleine, geïmproviseerde ceremonie. De dame van het uitvaartcentrum neemt het woord en richt zich tot de groep. Ze vertelt dat ze iets wilde zeggen over eenzaam begraven worden, maar dat dat vandaag niet meer toepasselijk is. Ik knik. Zelf heb ik niet het gevoel dat ik veel aan deze plechtigheid kan bijdragen. Ik geef het woord dan ook meteen door aan Peter, die een prachtig gedicht voorleest dat alle aanwezigen emotioneert.
je hebt dit jaar geen narcis meer zien koperblazen,
geen tulp zien dansen in haar karmozijnen jurk
je hebt het vroege zonlicht van het voorjaar niet
kunnen vangen in de vijvers van het Rivierenhof
de nachtegalen bouwden geen concertzaal meer
voor jou hoog in de kroon van een beukenboom
de half gevulde eieren van Milka konden
geen gevloek meer aan je mond ontlokken
je voelde je hart geen tel meer overslaan
op de Taaienberg, je hebt zelfs niet gejuicht
toen Wout Roubaix binnenreed en toen
Pogacar in de velodroom het hoofd boog
je zitje bleef leeg bij Bayern-Real, je sjaal hing
aan het haakje, je biertje bleef onaangeroerd
wekenlang lag je ademloos te wachten
in die ijskoude kamer, op dat bevroren bed
men was vergeten dat een verre vrouw brandde
van verlangen om je handen te verwarmen
daar achter de wolken, waar mensen wonen
die voorgoed verhuisd zijn naar hierboven
Dan vraagt de partner van de dochter of hij ook nog iets mag zeggen. Hij leest een tekst voor. Ik bedenk me hoe gek het is een volslagen vreemde op korte tijd van zoveel kanten te leren kennen. Na de asverstrooiing groeten we en we stappen terug naar de parking. Het werd hier bijna een echte begrafenis. De groepjes splitsen weer en verdelen zich over verschillende auto’s. Peter en ik stappen naar onze fiets. ‘Ik ben blij dat ze erbij waren’, zegt Peter. ‘Soms zie je dat er toch iemand komt opdagen en dat die dan op een afstand toekijkt.’ Hij zucht. Zou de cirkel nu rond zijn voor R.V.H. en zijn dochter?
Wanneer ik terugfiets, denk ik aan mijn buurt, de buurt waarin ook R.V.H. moet hebben gewoond voor hij ziek werd, de buurt ook waar hij in het ziekenhuis is gestorven. Ik ken die appartementsgebouwen, ik ken dat hobbelige fietspad. Zou ik hem ooit, in betere tijden, over straat hebben zien wandelen? Zou ik hem zijn tegengekomen in de supermarkt, of bij de bakker? Ik woon er nog niet lang genoeg, dus ik weet dat het niet kan. Toch vraag ik het me af.
Hoe de Vleermuisman een dichter wel niet kan inspireren. Proficiat Peter !