Meneer H.K. werd geboren op 18 juli 1946 te Ukkel. Hij woonde zeker 14 jaar in een appartement in het centrum van Antwerpen. Op 12 juni 2026 overleed hij in AZ Monica. De asverstrooiing vond plaats op dinsdag 23 juni 2026 om 11u00 op het Schoonselhof.
Een thuisadres en geen contactpersonen. Meer informatie ontvang ik niet via het formulier dat de uitvaartonderneming me toestuurt. Wel lees ik in de doorgestuurde mailwisseling dat er een huisbaas is die niet betrokken wenst te zijn bij de uitvaart. Ik doe toch een poging. Voor ik richting het thuisadres ga, verstuur ik wat mails. Een uur later word ik gebeld door de huisbaas. De vrouw die ik aan de telefoon heb, heeft meneer K. enkele weken geleden zelf naar het ziekenhuis gebracht omdat hij er zo slecht aan toe was. Het wordt me niet helemaal duidelijk of zij verder goed contact hadden. Wat ze me vertelt blijft oppervlakkig en beperkt. Ze omschrijft hem als een heel vriendelijke en toegewijde man. Hij woonde zeker 14 jaar in het appartement in het centrum van Antwerpen. Zijn vrouw was jarenlang zwaar dementerend en hij heeft haar altijd verzorgd. Zeker tien jaar hebben ze samen in het appartement gewoond. Enkele jaren geleden is zij overleden. De huisbaas vertelt me dat ze geprobeerd heeft om in het appartement binnen te geraken om bijvoorbeeld de vuilbakken nog eens buiten te zetten, maar dat lukte niet. Ergens in de afgelopen jaren moet meneer het slot hebben vervangen, niemand kan er momenteel dus in. De persoonlijke bezittingen die in het ziekenhuis zijn achtergebleven zullen nog doorzocht worden om hopelijk een passende sleutel te vinden. In het appartementsgebouw waar meneer K. woonde, zijn vermoedelijk nog twee mensen die hem wellicht een beetje gekend hebben. Ze vertelt me de twee achternamen, maar verzoekt me niet bij de winkel beneden langs te gaan. Daar werkt iemand die misschien nog verre familie kent van meneer K., maar daar wilde hij niks mee te maken hebben. De huisbaas vraagt me die wens te respecteren. “Er zijn altijd mensen die nog wel iets willen komen halen, ook al was er niet veel,” zegt ze. Meneer had diverse juridische processen lopen, aan het eind van zijn leven was er niets meer over.
Het is een drukke plek waar meneer woonde. Fietsers, auto's, trams, alles raast voorbij. Het gebouw heeft meerdere verdiepingen. De benedenverdieping is een kledingwinkel waar ik niemand binnen zie. Ik druk op de bel met een van de achternamen maar krijg geen gehoor. Bij de ander word ik vriendelijk toegesproken door de parlofoon. Ik word verwelkomd door de dochter van de bovenbuur van meneer K.. Ze is aan het studeren en vroeg zich van de week nog af of meneer misschien eenzaam zou zijn gestorven. Helaas betekent mijn betrokkenheid dat dit wel het geval is. Ze vertelt me dat ze meneer niet goed kende, maar wel zo af en toe zag op de gang waar hij altijd vriendelijk was. Zelf woont ze hier met haar moeder ook al tien jaar. Meneer moet plots sterk achteruit zijn gegaan. Enkele weken geleden kwam hij nog een steak eten en een pintje drinken in het restaurant een straat verderop waar zij als jobstudent werkt. Een paar weken geleden was er nog een huisdokter bij meneer K. langsgekomen. De dokter was zelf al ver in de tachtig. Samen met haar moeder vroeg ze zich toch af of dat wel goed zou komen. De dochter is toen voor meneer K. naar de apotheek gegaan. Om de medicatie af te leveren, was ze voor het eerst kort in zijn appartement. Ze verwachtte dat het er erg rommelig zou zijn, maar het was er veel netter dan gedacht. Meneer had een mooie oude boekenkast met veel boeken en was omringd door allerlei papieren. Scripties vermoedde ze, maar misschien dat haar moeder daar wel meer over weet. Ik laat mijn telefoonnummer voor haar achter.
Een dag later heb ik de bovenbuurvrouw aan de telefoon. Ze vermoedt dat meneer K. aan een manuscript schreef. Aan de hand van de mensen die ik tref op mijn pad, probeer ik het leven van meneer wat meer in te kleuren, maar ik heb veel moeite om zelfs maar de contouren helder te krijgen. De bovenbuurvrouw vermoedt dat het ging om een manuscript in het historisch kader, wellicht schreef hij dus nog aan een boek. Ze weet niet wat meneer verder graag deed, wat voor boeken hij las. Ik pols bij haar naar het bedrijf dat meneer had. Op de brievenbus zag ik de naam van een nv, maar het zegt haar niets. Het was haar ook nog nooit opgevallen in de gang dat er een sticker met een bedrijfsnaam op de brievenbus zat. De bedrijfsnaam kan alles zijn. Speurend op het web, kwam ik enkel de verplichte openbare stukken tegen van het web en zag ik ook dat zijn vrouw betrokken was. Haar achternaam herkende ik eveneens van de brievenbus. Wat zij al die jaren voor bedrijf hebben gehad, daar kan de bovenbuurvrouw me helaas niets over vertellen. Wel geeft ze me het telefoonnummer van de huisdokter waarmee meneer wellicht goed bevriend was.
De huisdokter neemt de telefoon nog op met “dokter” en is -hoewel ver in de tachtig- nog altijd actief. Hij kende meneer K. enkele jaren. Dat is een ruim begrip, zeker als je al wat jaren op de teller hebt staan, zouden dat er ook best wel veel kunnen zijn. Persoonlijke vragen kan de dokter in ieder geval niet beantwoorden over meneer. “Daar heb ik me nooit niet mee bezig gehouden.”
De dokter zucht veel en lang tijdens ons korte telefoongesprek. Ik weet niet of hij verveeld zit met deze vragen, of dat het eerder eigen is aan de warmte, de leeftijd of de tijd nemen om woorden te wegen zoals een dokter kan doen. “Kanker zegt men, maar dat heb ik nooit geloofd.” Zijn betrokkenheid blijkt vooral medisch te zijn. Mijn vragen over boeken, zijn vrouw, hun bedrijf of eventuele hobby’s blijven onbeantwoord. Maar mijn vraag of hij wist wat meneer aan het schrijven was, wordt wel iets uitgebreider beantwoordt: “Enkele jaren geleden werd hij lastig gevallen door een proces waarin hij nooit gelijk heeft gekregen. Er is iets misgelopen met het verkopen van het bedrijf en het overzetten van het eigen kapitaal.” Die papieren waren dus niet voor het delen van kennis of verhalen. Meneer was dus nog altijd mee bezig om zaken recht te zetten. Ooit was meneer K. vermogend en tot zijn laatste dagen heeft hij geprobeerd de juridische kluwen aan administratie op te lossen en dat is hem niet gelukt. Meneer krijgt een stadsuitvaart, een die door de stad wordt bekostigd en waarbij geen nabestaanden worden verwacht.
Op dinsdagochtend 23 juni verzamelen we aan de parking van het Schoonselhof. Het is een welkome koelere ochtend in een verder gloeiend hete week. Dichter van dienst Max en de voorganger vanuit de uitvaartonderneming hebben elkaar al gevonden. De rouwauto met de urne arriveert, maar we besluiten toch nog te wachten voor het geval er toch nog iemand komt opdagen. Als het stipt elf uur is, vertrekken we richting de oude strooiweide. De voorganger, Max en ik stappen gestaag achter de rouwauto aan. De chauffeur stapt uit en opent de deur. De voorganger en de chauffeur maken een buiging en nemen dan de urne mee de trappen van de strooiweide op. Er staat al een tijd een bord dat ze niet in gebruik is om het een natuurlijker karakter te geven. Midden in het grote veld staan palmbomen daaromheen staat het gras hoog. Veel vlinders vliegen heen en weer tussen de veldbloemen, krekels tjirpen. Vlak voor de zuil waar de urne op wordt gezet, is een keurige halve cirkel gemaaid waar straks de assen verstrooid zullen worden. We staan dicht bij de zuil. De zon komt tussen de wolken door, het wordt al weer broeierig warm. De voorganger verwelkomt ons, en nadat ik kort verslag uitbreng van mijn zoektocht naar het leven van meneer K., leest Max zijn gedicht voor:
Dat we niets weten
en daarom draaien en keren
in onze vellen, stapels, dozen
gebaren van papier
dat we elkaar herkennen
in vormen van onzichtbaarheid
dat we de wereld verbergen in letters
als symbolen, dat het geheim wellicht
uit onze ogen spreekt
dat we ons vergeten hebben
gladgestreken, ons leven de denkbeeldige reis
van hoofdletter naar geen punt
dat we elkaar ontwaren
in de geur van papier
waarin we zo graag treuzelen
dat de taal ons hecht, jij en ik
geschreefd naast elkaar
dat we toegewijd aan het onthouden
iemand zijn geweest, nog steeds
alles kunnen worden
De voorganger nodigt ons uit om een hand op de urne te leggen. Onze handen als laatste gebaar voor meneer K.. We wensen hem een warm weerzien met zijn vrouw. Dan worden de assen verstrooid. Ze stuiven zachtjes op tegen het lange gras.
De mensen van de uitvaartonderneming bedanken ons en gaan weer richting een volgende uitvaart. Nog even sta ik met Max stil aan de strooiweide. Hoe kort een moment van afscheid soms is. Max vertelt hoe zijn grootvader hier ook ooit werd uitgestrooid. Dat het veld er vandaag mooi bij ligt.
We fietsen nog een stuk samen en waaieren dan ook weer uit, elk onze eigen richtingen op.
Ik naar dit verslag, deze laatste woorden op papier voor meneer K..
Ik denk aan hoe hij voor het laatst de deur van zijn appartement heeft dichtgedaan vooraleer hij naar het ziekenhuis ging. Aan zijn laatste blik op de administratie. Zou hij geweten hebben dat hij daar de vele pogingen en de stapels papier voorgoed heeft achtergelaten?Ik denk aan de sleutel die misschien gevonden is, of dat een slotenmaker de deur moet hebben opengebroken. Ik denk aan de persoon die de vele papieren zal vinden en ze een definitieve plaats zal geven. Een laatste gedachte aan meneer K. die iemand is geweest en nog steeds alles kan worden.